ECLI:NL:RBNNE:2018:5343
Rechtbank Noord-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Toerekening ABP-pensioen aan eiser en niet voor de helft aan echtgenote
De rechtbank Noord-Nederland behandelde vijf beroepen van eiser tegen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2012 tot en met 2016. De kern van het geschil betrof de vraag of het ABP-pensioen gelijkelijk aan eiser en zijn echtgenote moest worden toegerekend.
Eiser stelde dat het pensioen in de algehele gemeenschap van goederen viel en daarom voor 50% aan elk van hen toekwam. Verweerder voerde aan dat de fiscale wetgeving pensioeninkomsten toerekent aan degene die het pensioen heeft opgebouwd en ontvangt. De rechtbank bevestigde dat volgens artikel 3.81 en 2.17 van de Wet IB 2001 en artikel 10 van Pro de Wet op de Loonbelasting 1964 het pensioen volledig aan eiser toekomt, omdat het is opgebouwd in zijn dienstbetrekking en ook aan hem wordt uitgekeerd.
De rechtbank wees erop dat zij gebonden is aan de wet en geen billijkheidstoets mag toepassen. Tevens werd opgemerkt dat pensioenaanspraken die onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen, niet tot de algemene gemeenschap van goederen behoren. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het ABP-pensioen volledig aan eiser wordt toegerekend.