ECLI:NL:RBNNE:2018:5343

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1869, 18_1870, 18_1871, 18_1872 en 18_1873.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.81 Wet IB 2001Art. 2.17 Wet IB 2001Art. 10 Wet op de Loonbelasting 1964Art. 11 Wet algemene bepalingenArt. 1:94 BW
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toerekening ABP-pensioen aan eiser en niet voor de helft aan echtgenote

De rechtbank Noord-Nederland behandelde vijf beroepen van eiser tegen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2012 tot en met 2016. De kern van het geschil betrof de vraag of het ABP-pensioen gelijkelijk aan eiser en zijn echtgenote moest worden toegerekend.

Eiser stelde dat het pensioen in de algehele gemeenschap van goederen viel en daarom voor 50% aan elk van hen toekwam. Verweerder voerde aan dat de fiscale wetgeving pensioeninkomsten toerekent aan degene die het pensioen heeft opgebouwd en ontvangt. De rechtbank bevestigde dat volgens artikel 3.81 en 2.17 van de Wet IB 2001 en artikel 10 van Pro de Wet op de Loonbelasting 1964 het pensioen volledig aan eiser toekomt, omdat het is opgebouwd in zijn dienstbetrekking en ook aan hem wordt uitgekeerd.

De rechtbank wees erop dat zij gebonden is aan de wet en geen billijkheidstoets mag toepassen. Tevens werd opgemerkt dat pensioenaanspraken die onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen, niet tot de algemene gemeenschap van goederen behoren. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het ABP-pensioen volledig aan eiser wordt toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 18/1869, 18/1870, 18/1871, 18/1872 en 18/1873
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

De beroepen zijn gericht tegen:
- de uitspraak op bezwaar van 4 mei 2018 op het bezwaarschrift van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2016, alsmede
- de in één geschrift vervatte uitspraken van verweerder van 4 mei 2018 op de verzoeken van eiser tot ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015.
Het onderzoek ter zitting in de vijf zaken heeft gezamenlijk plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiser is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft eiser een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan verweerder en de rechtbank overgelegd.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De geschillen betreffen de aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2016 en spitsen zich toe tot het antwoord op de vraag of het ABP pensioen voor 50 % kan worden toegedeeld aan eiser en voor 50 % aan zijn echtgenote.
3. Voor zover de geschillen de aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015 betreffen is ter zitting gebleken dat eiser heeft beoogd rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ambtshalve herziening in te stellen en dat verweerder daarmee heeft ingestemd. Eiser is daarom ook ontvankelijk in zijn beroepen voor zover het de beslissingen betreffende die aanslagen betreft.
4. Eiser stelt dat het door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) uitgekeerde pensioen in gelijke mate aan hem en aan zijn echtgenote moet worden toegerekend. Dit omdat dat pensioen in de algehele gemeenschap van goederen valt en is opgebouwd uit premies die zijn ingehouden op zijn loon en daarmee ten laste van die gemeenschap zijn gekomen. Verweerder stelt dat de wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zelfstandige regels voor de toerekening kent en dat pensioeninkomsten worden belast bij degene die dat pensioen heeft opgebouwd en aan wie dat pensioen wordt uitgekeerd.
5. De rechtbank overweegt dat voor de fiscaliteit geldt dat pensioenuitkeringen worden toegerekend aan degene door wie die inkomsten zijn verworven en genoten (artikel 3.81 van de wet IB 2001, artikel 10 van Pro de wet op de Loonbelasting 1964 en artikel 2.17 van de wet IB 2001). Nu het ABP pensioen is opgebouwd in het kader van de dienstbetrekking van eiser en ook aan eiser wordt uitgekeerd heeft verweerder dat op goede grond volledig aan eiser toegerekend. Eiser heeft de pensioenuitkeringen in fiscale zin genoten (vergelijk HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:633 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6663).
6. Voor zover eiser betoogt dat dit niet redelijk is, overweegt de rechtbank dat de rechtbank gehouden is de wet toe te passen en de billijkheid en innerlijke waarde daarvan niet mag toetsen (zie artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen). Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat pensioenaanspraken waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, niet in de algemene gemeenschap van goederen vallen (zie artikel 1:94 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
7. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is op 20 december 2018 gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van L.S. Langius, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.
w.g. griffier
w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.