Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Eiser voert voorts aan dat hij van plan is de woning over vijf jaar te verkopen. De WOZ-waarde zal dan indicatief zijn voor de prijs die eiser zal kunnen realiseren bij verkoop. Schade lijdt hij voorts indien voor de vaststelling van aardbevingsschade aansluiting wordt gezocht bij de WOZ-waarde.
Ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde wijst eiser op het navolgende. De nabijgelegen werf, die door verweerder als waardedrukkende factor is aangemerkt, was er ook al toen eiser de woning kocht en vormt nu dus geen reden meer voor een lagere taxatiewaarde. De woningen aan de [b-straat] en aan de [c-straat] zouden in de vergelijking moeten worden betrokken. Uit die vergelijking zal blijken dat de woning van eiser op een te laag bedrag is getaxeerd.
Voorts voert eiser aan dat de gemachtigde van verweerder in een telefoongesprek met hem heeft gezegd dat de waarde van de woning eigenlijk € 30.000 hoger zou moeten liggen. Eiser betwist dat hij met verweerder heeft afgesproken dat het bezwaar ongegrond zou moeten worden verklaard.
Dat leidt overigens niet tot de conclusie dat het beroep van eiser wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (zie rechtsoverweging 2.3.4 van het arrest van 20 oktober 2017 (ECLI:HR:2017:2656)) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat eenieder die in bezwaar of beroep een hogere waarde bepleit, bij vaststelling daarvan een belang heeft.
De stelling van eiser dat verweerder hem telefonisch zou hebben meegedeeld dat zijn woning € 30.000 meer waard zou zijn dan de waarde waarvan verweerder bij het primaire besluit is uitgegaan, biedt de vereiste onderbouwing evenmin. Nog daargelaten dat de mededeling met deze strekking door verweerder wordt betwist – verweerder stelt te hebben gezegd dat
indien de woning in een wijk als Vosholen zou hebben gelegen, de waarde € 30.000 hoger zou zijn –, is de bij het primaire besluit vastgestelde waarde, vermeerderd met € 30.000, nog steeds beduidend lager dan € 200.000. In het licht van de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door verweerder dat de waarde (duidelijk) lager is dan € 200.000, heeft eiser de door hem bepleite waarde dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Beslissing
mr. A.J. Flik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.