Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder
de minister voor Rechtsbescherming, de minister.
Procesverloop
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door A. de Groot.
Overwegingen
- of strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), vanwege het niet in acht nemen door de wetgever van de in het kader van artikel 1 EP Pro vereiste ‘fair balance’;
- of als gevolg van de crisisheffing strijd ontstaat met het vrije verkeer van werknemers, bedoeld in artikel 45 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
“
2.4.3. Met de crisisheffing is een nieuwe, in beginsel eenmalige, heffing geïntroduceerd van werkgevers die in 2012 een of meer werknemers in dienst hadden tegen een loon van meer dan € 150.000. De werkgevers zijn uit hoofde van de crisisheffing 16 percent van het loonexcedent als belasting verschuldigd. Zij kunnen deze heffing niet verhalen op werknemers.”
“
2.4.8. Indien, zoals in het onderhavige geval, de invoering van een nieuwe of zwaardere heffing in strijd is met gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen, is er in beginsel geen sprake van een ‘fair balance’. Dat is slechts anders indien er specifieke en dwingende redenen zijn voor deze aantasting van gerechtvaardigde de verwachtingen (vgl. de punten 74 en 75 van het arrest van het EHRM in de zak N.K.M. tegen Hongarije).”.
“
2.7.3. Hetgeen hiervoor is geoordeeld omtrent de toepassing van artikel 1 EP Pro met betrekking tot de invoering van de crisisheffing voor het jaar 2013 geldt op dezelfde gronden voor de verlenging van de crisisheffing voor het jaar 2014. Ook voor 2014 gold dat het realiseren van begrotingsdoelstellingen een hoge urgentie had in het kader van de stabiliteit van de muntunie, waaraan Nederland binnen de Europese Unie was gebonden. Met de keuze om in dat kader binnen een omvangrijk pakket van maatregelen wederom ook een extra bijdrage in de sfeer van de hogere inkomens op te nemen, heeft de wetgever de hem toekomende, door de rechter te respecteren, ruime beoordelingsmarge niet overschreden.
“11.19. Gegeven (i) het ontbreken van een rechtvaardiging voor de terugwerkende kracht, die juist ontkend werd, zodat een slechts budgettair belang verondersteld moet worden, (ii) de zeer vergaande terugwerkende kracht (ver voorbij het aankondigingsmoment dus ver voorbij elke voorzienbaarheid), (iii) de minuscule bijdrage van de crisisheffing over de periode vóór voorzienbaarheidsdatum (25 mei 2012) aan het doel het begrotingstekort met 1,5 procentpunt terug te brengen en de AAA-status te behouden, en (iv) de daarbij vergeleken zeer substantiële ‘impact’ van de onvoorzienbaar terugwerkende heffing op de financiële en contractuele posities van de belanghebbenden, meen ik dat de belangenafweging manifest uit balans is. Gegeven de curieuze onjuiste ontkenning van terugwerkende kracht moet er zelfs van uit gegaan worden dat geen enkele afweging heeft plaatsgevonden van welk belang bij terugwerkende kracht dan ook tegenover de ‘impact’ van die terugwerking ‘on the position’ van de belanghebbenden. Ik meen daarom dat in casu sprake is van “an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1” in de zin van de zaak M.A. a.o. v. Finland en van schending van de in de drie Hongaarse pensioenheffingszaken door het EHRM gestelde eis dat ‘those who act in good faith on the basis of law should not be frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons.”.
genoten(zie r.o. 2.4.11). Deze vormgeving van de grondslag voor de crisisheffing (aansluiten bij loon dat is betaald in 2012) heeft de Hoge Raad aangemerkt als een in dit verband te billijken, eenvoudig te hanteren maatstaf (r.o. 2.4.12). De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van dit arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, nr. 15/00340, ECLI:NL:HR:2016:121.
Strijd met het vrije verkeer van werknemers, artikel 45 VWEU Pro?
Conclusie
Immateriële schadevergoeding
Proceskosten
Dat betekent dat zowel verweerder als de Minister in elk van beide zaken € 438 aan eiseres moeten betalen.