Conclusie
Overzicht
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungary, die onverenigbaar waren met art. 1 Protocol Pro I EVRM.
lawfulis, want in overeenstemming met het nationale recht en voorzienbaar, (ii) de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient, nl. de noodzaak het begrotingstekort terug te dringen en ontgaansmogelijkheden tegen te gaan; (iii) de heffing als middel niet onevenredig is aan het budgettaire doel. Weliswaar werkt de crisisheffing materieel verder terug dan de heffing over bovenmatige vertrekvergoedingen (HR BNB 2014/229), maar de hoogte van de heffing wordt in het algemeen niet uitsluitend bepaald door het loon betaald voor aankondiging. De terugwerkende kracht was daarom niet zodanig ernstig dat a priori een
fair balancezou ontbreken, en de belanghebbenden hebben onvoldoende aangevoerd voor het oordeel dat zich in hun geval een excessieve last voordoet. Het Hof heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungaryheeft de crisisheffing de kenmerken van schending van het gelijkheidsbeginsel, onvoorzienbaarheid en ontbreken van overgangsrecht. Het oordeel van het Hof dat zich geen excessieve last voordoet, achten de belanghebbenden in het licht van de door hen aangedragen feiten onbegrijpelijk.
niet-werknemer (IB-ondernemer, resultaatgenieter of box 3-belegger), zodat tussen veelverdieners niet wordt gediscrimineerd. Een rechtvaardiging is dan niet nodig. De relevante vergelijkingsgroep is de kring van werkgevers. Gegeven dat alle werkgevers zijn onderworpen, bestaat ook op dat punt geen discriminatie. Dat vooral werkgevers die (veel) hoge lonen uitbetalen getroffen worden, laat zich horen, gegeven het legitieme doel van de maatregel. Hoe dan ook heeft de wetgever bij de afbakening van de kring van belastingplichtigen geen keuzen gemaakt die manifest arbitrair waren of van elke redelijke grond ontbloot. De belanghebbenden achten zich voorts gediscrimineerd ten opzichte van werkgevers die minder dan € 150.000 betaalden aan parttime werknemers die twee banen bij verschillende goedbetalende werkgevers
naast elkaarhadden, of aan werknemers die in 2012
volgtijdigtwee verschillende goedbetalende werkgevers hadden, welke werknemers echter op voltijds- resp. voljaarsbasis bij één werkgever meer dan € 150.000 zouden hebben ontvangen. Ook deze vergelijking ziet er aan voorbij dat het niet om het inkomen van de werknemer gaat, maar om de loonsom van de werkgever op werknemersniveau. Aldus beschouwd, is ook hier van ongelijke behandeling geen sprake. Hoe dan ook is ook op dit punt de ruime beoordelingsmarge niet overschreden door de werkgeversheffing te beperken tot de loonsom die die werkgever uitbetaalt.
lawfulnessdie het EHRM stelt. Er zijn geen aanwijzingen dat het budgettaire doel niet het
legitimate aimvan het algemene belang diende. Dan blijft over de proportionaliteit van de private eigendomsaantasting ten opzichte van het gediende publieke belang. Uit de parlementaire behandeling van de crisisheffing blijkt ondubbelzinnig dat het belastbare feit en de maatstaf van heffing was het loon over 2012, zodat de crisisheffing formeel en materieel terug werkte. Nu formeel terugwerkende heffing in beginsel aanvaardbaar is als het belastbare feit ná de aankondiging van de heffing ligt én na het tijdstip tot waar de regeling terugwerkt (zoals bij ‘regeren bij persbericht’), acht ik de crisisheffing niet in strijd met art. 1 Eerste Pro Protocol voor zover zij de loonsom treft die ná 25 mei 2012 is betaald. Het gaat om de heffing over het vóór 25 mei 2012 reeds voorbije (deel van het) belastbare feit. Een nieuwe, extra heffing van 16% over vóór die datum reeds uitbetaald en belast loon was tot die datum niet voorzienbaar, schond gerechtvaardigde verwachtingen en leidde tot aanzienlijke niet-voorziene financiële lasten voor de betrokken werkgevers. Daartegenover moet afgewogen worden het doel dat met de terugwerkende kracht gediend werd.
windfall benefitszou leiden (EHRM
Building Societies), of tot misbruikbestrijding (EHRM
A, B, C en D v. UK), of anticipatiebestrijding (EHRM
M.A. a.o. v. Finland), of enig ander doel. Misbruik of anticipatie ter zake van vóór 25 mei 2012 reeds betaald loon was feitelijk onmogelijk. Vóór 26 april 2012 kon geen sprake zijn enig aankondigingseffect, bij gebrek aan aankondiging. De aankondiging van 26 april 2012 kondigde géén terugwerkende kracht aan, maar juist dat ‘in 2013’ een werkgeversheffing zou volgen. Werkgevers konden er daarom in elk geval tot mei 2012 slechts vanuit gaan dat pas over 2013 geheven zou worden. Dat werd pas anders op 25 mei 2012, toen duidelijk werd dat ‘in 2013’ betekende ‘over (heel) 2012’. De terugwerkende kracht van de crisisheffing ging daarmee aanzienlijk verder dan ‘regeren bij persbericht’: er werd óók geheven over het deel van het belastbare feit dat vóór de aankondiging al verstreken was (vijf loonmaanden). De door het EHRM in de zaak
M.A. v. Finlandaanvaarde terugwerkende kracht tot bestrijding van ontwijkgedrag (i) besloeg juist uitsluitend het tijdvak ná aankondiging van de wetswijziging en (ii) trof uitsluitend gevallen waarin ná die aankondiging werknemers-optiecontracten werden opengebroken om die tijdig aangekondigde heffing te frustreren. Het EHRM sloot in die zaak uitdrukkelijk niet uit dat zijn oordeel anders zou luiden als de terugwerkende kracht ook niet-gemanipuleerde gevallen (‘
pure cases’ zoals de belanghebbenden) zou hebben getroffen.
balancelegden om bij werkgevers die daar niet op of mee konden rekenen de door hen vóór 25 mei 2012 betaalde loonsom met formeel en materieel terugwerkende kracht opnieuw te belasten. Een louter budgettair belang bij terugwerkende heffing ten koste van een bepaalde groep hoeft mijns inziens niet op zichzelf al disproportioneel te zijn, al veroordeelde het EHRM terugwerkende heffing op die grond wel min of meer categorisch als ‘
pas justifiée par l’intérêt général’ in de zaak
Joubertwaarin het EHRM niet overtuigd was van het budgettaire belang van de terugwerkende kracht. De vraag is of het budgettaire belang bij de terugwerkende kracht, gegeven de daartegenover af te wegen private belangen, redelijkerwijs niet als voldoende gewichtig kan worden beschouwd. Nederland had acuut EMU-tekort- en AAA-rating-probleem en een zo snel mogelijke verhoging van de belastingopbrengst is geen vreemd beleid bij acute budgettaire problemen. Uit de drie Hongaarse EHRM-zaken
N.K.M., R.SZen
Gállover verboden terugwerkende excessieve belastingheffing over ontslagvergoedingen volgt wel dat
helecrisisheffing droeg daaraan slechts circa 0,08 procentpunt bij (0,08% van de rijksbegroting); tijdsevenredig gaat het bij de terugwerkende heffing
voorbijhet aankondigingstijdstip over 0,03% van de rijksbegroting). Deze budgettaire situatie is niet vergelijkbaar met de budgettaire noden in Portugal en Griekenland die het EHRM in de zaken
Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugalen
Koufaki et ADEDY c. Grèceaanvaardde als voldoende acuut en ernstig om ingrijpende inkomensmaatregelen te rechtvaardigen die echter ook daar en onder die veel ernstiger omstandigheden géén terugwerkende kracht hadden gekregen.
geen enkeleafweging heeft plaatsgevonden van welk belang bij terugwerkende kracht dan ook tegenover de ‘impact’ van die terugwerking ‘on the position’ van de belanghebbenden. Ik meen daarom dat in casu sprake is van “an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1” in de zin van de zaak
M.A. a.o. v. Finlanden dat middel (iii) in zoverre slaagt.
fair balancemet de aantasting van de legitieme verwachtingen en belangen van de belanghebbenden, dan rijst nog de vraag of de crisisheffing – los van haar terugwerkende kracht – de belanghebbenden een
individual and excessive burdenoplegde. Voor de hand ligt dan een vergelijking van de heffing met de loonsom van de desbetreffende werknemer of met de desbetreffende loonsom van de werkgever. Het effect van de niet-verhaalbare loonsomheffing is immers het opstuwen van de loonkosten. Van een heffing die de loonkosten boven de € 150.000 loon per werknemer doet stijgen met 16% kan echter niet voetstoots worden aangenomen dat zij excessief is. Alleen de individuele financiële situatie per werkgever lijkt dan als referentiekader te resteren. De vergelijking die de Rechtbank maakte met de jaarwinsten (belanghebbenden 1 en 3) c.q. de winstreserves (belanghebbende 2), lijkt dan niet inadequaat. ‘s Hofs oordeel dat de door belanghebbenden aangevoerde omstandigheden dat (i) de crisisheffing in absolute termen een hoog bedrag is, (ii) de totale belastingdruk op loon boven de € 150.000 onevenredig hoog is (52% + 16% = 68%) en (iii) ook de belanghebbenden in “moeilijke economische omstandigheden” verkeren, niet nopen tot de conclusie dat zij excessief belast werden, verraadt mijns inziens geen onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige een feitelijk oordeel waarover u niet gaat.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
fair balance’ tussen algemeen en individueel belang ontbreekt. De wetgever is volgens de belanghebbenden niet binnen de hem toekomende beoordelingsmarge gebleven. De crisisheffing heeft materiële en formele terugwerkende kracht ter zake van loonbestanddelen genoten tussen 1 januari 2012 en
- 26 april 2012 (Kunduz-akkoord), dan wel
- 25 mei 2012 (aanbieding akkoord aan Tweede Kamer), dan wel
- 4 juni 2012 (indiening wetsvoorstel fiscale maatregelen begrotingsakkoord), dan wel
- 18 juli 2012 (inwerkingtreding van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013)), dan wel
- 1 januari 2013 (inwerkingtreding van de crisisheffing (art. 32bd van de Wet LB).
Pressos Compania Naviera, [4] dat budgettaire overwegingen geen rechtvaardiging bieden voor terugwerkende kracht. De crisisheffing verschilt op belangrijke punten van de in HR BNB 2014/229 [5] met art. 1 Protocol Pro I EVRM verenigbaar geachte heffing over bovenmatige vertrekvergoedingen. Anders dan die heffing, belast de crisisheffing inkomen dat is genoten vóór inwerkingtreding van de wet en zelfs vóór de aankondiging ervan; bij de crisisheffing doet zich het nadeel van vertraagde toepassing niet voor; en de crisisheffing hangt niet af van een toekomstige gebeurtenis. De crisisheffing vertoont dezelfde kenmerken als de door het EHRM in
N.K.M. v. Hungary, [6] R.Sz. v. Hungary [7] en
Gáll v. Hungary [8] veroordeelde Hongaarse excessieve heffingen, aldus de belanghebbenden.
Pressos Compania Naviera; PJW] ging het om een beperking van de aansprakelijkheid van de staat met terugwerkende kracht bij bepaalde aanvaringen. Die situatie wijkt aanzienlijk af van de onderhavige, waar het gaat om het heffen van belasting. Het Hof kent geen jurisprudentie van het EHRM waarin het EHRM belastingwetgeving met terugwerkende kracht in strijd met artikel 1 EP Pro EVRM acht. Dat is van belang, omdat de toets die de Nederlandse rechter op basis van artikel 1 EP Pro EVRM uitvoert, niet strenger mag zijn dan de toets die het EHRM zelf aanlegt (r.o. 3.3.1 van HR 22 november 2013, nr. 13/01622, BNB 2014/30).
3.Het geding in cassatie
- 26 april 2012 (Kunduz-akkoord), dan wel
- 25 mei 2012 (aanbieding akkoord aan de Tweede Kamer), dan wel
- 4 juni 2012 (indiening wetsvoorstel), dan wel
- 18 juli 2012 (inwerkingtreding van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 van 12 juli 2012), dan wel
- 1 januari 2013 (inwerkingtreding pseudo-eindheffing ex art. 32bd Wet LB),
Pressos Compania Naviera [10] volgt dat budgettaire redenen niet terugwerkende belastingheffing kunnen rechtvaardigen. Beperking van het begrotingstekort had ook kunnen worden bereikt met een heffing die in de loop van 2013 was uitgevoerd. Een werkgeversheffing was niet doelmatiger of beter uitvoerbaar dan andere heffingen. De crisisheffing verschilt op belangrijke punten met de in HR BNB 2014/229 niet met art. 1 Protocol Pro I EVRM strijdig geachte belastingheffing over bovenmatige vertrekvergoedingen. Zij belast inkomen dat reeds is genoten vóór inwerkingtreding van de wet; bij haar doet zich het nadeel van vertraagde toepassing niet voor en bij haar ontbreekt de afhankelijkheid van een toekomstige gebeurtenis. De crisisheffing vertoont dezelfde kenmerken als de door het EHRM in
N.K.M. v. Hungary, [11] R.Sz. v. Hungary [12] en
Gáll v. Hungary [13] veroordeelde Hongaarse excessieve heffingen. Net als die heffingen strijdt de crisisheffing met het gelijkheidsbeginsel, is zij onvoorzienbaar en ontbreekt overgangsrecht. ‘s Hofs oordeel dat zich geen excessieve last zou voordoen, achten de belanghebbenden in het licht van de door hen aangedragen feiten onbegrijpelijk. Aanvaarding van terugwerking van de crisisheffing voorbij 1 januari 2013 leidt tot de volgende lasten:
naastde in het voorgaande jaar reeds ten laste van de werknemer ingehouden loonheffing. De door het Hof gegeven uitleg is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het tweemaal belasten van loon is bij alle pseudo-eindheffingen aan de orde. In de zaak HR BNB 2014/229 [14] over de pseudo-eindheffing over bovenmatige vertrekvergoedingen had de Hoge Raad daar geen bezwaar tegen;
fair balance’ tussen het individuele en het collectieve belang is getroffen. Beschaming van de verwachting dat een belastingwet ongewijzigd zou blijven, is geen schending van art. 1 Protocol Pro I EVRM (EHRM
M.A. a.o. v. Finland [16] en HR BNB 2009/238 [17] ). Het alsnog belasten van reeds uitbetaald loon is vergelijkbaar met het alsnog belasten van de waardeaangroei van een turbovordering bij realisatie na wetswijziging (HR BNB 2009/238). In de Hongaarse zaken
N.K.M. v. Hungary [18] c.a. was niet zozeer de terugwerkende kracht, maar een veelheid aan factoren aanleiding tot het oordeel dat art. 1 Protocol Pro I EVRM was geschonden. De zaken van de belanghebbende wijken af van de schrijnende
N.K.M.-achtige zaken:
N.K.M., wordt in casu geheven van de werkgever, niet van de werknemer;
confiscatory measurekan zijn;
N.K.M.; uitgaande van een belastbaar bedrag van 100, een reguliere heffing ad 52 en een crisisheffing ad 16 is sprake van een heffing ad 68 over een totaalbedrag ad 116, dat is een effectief tarief ad 68/116 = 59%;
N.K.M.en is de regeling veel beter afgestemd op het doel;
N.K.M.had;
N.K.M.zag alleen op de (semi-)publieke sector; de crisisheffing is algemeen.
fair balancezou schenden. Getoetst moest worden of het individuele belang van de belanghebbenden onevenredig is getroffen. Dat heeft het Hof correct gedaan. Als al sprake zou zijn van schending, dan moet worden volstaan met de constatering daarvan. De rechter kan geen rechtsherstel verlenen, omdat de wet en de wetsgeschiedenis onvoldoende duidelijk maken hoe dan te handelen (zie HR BNB 1999/271). [20] De mogelijke gevolgen van schending van de Europese begrotingstekortregels eisten fundamentele rechtspolitieke keuzen. De belanghebbenden hebben geen specifiek voor hen geldende feiten en omstandigheden aangevoerd die een individuele buitensporige last aannemelijk maken. Daartoe is onvoldoende dat zij een in absolute zin hoog bedrag, en meer dan de gemiddelde werkgever hebben bijgedragen. Hun berekening geeft een verkeerd beeld omdat bij hen een meer dan gemiddeld aantal werknemers met een meer dan gemiddeld loon in dienst is.
geverseen bijdrage te heffen ter bestrijding van het financieringstekort: uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een extra heffing werd gewenst van degenen met een hoger inkomen, dus van de werk
nemer.
M.A. a.o. v. Finland [21] werd het voordeel van de optie genoten nádat de heffing inging. De jurisprudentie die de staatssecretaris aanhaalt gaat slechts over terugwerkende kracht van heffing over waardemutaties. Bij de crisisheffing gaat het echter om inkomsten die al zijn genoten.
N.K.M. v. Hungary: het wegbelasten van bepaalde vergoedingen. Weliswaar was het marginale tarief van de Hongaarse heffing hoger dan de marginale druk in casu, maar het gemiddelde tarief bedroeg in die zaak 52% over de ontslagvergoeding, terwijl het loon dat aan de crisisheffing is onderworpen voor het volle bedrag naar 68% wordt belast. Bovendien is het tarief volgens het EHRM slechts één van de relevante omstandigheden; doorslaggevend was “that the majority of citizens were not obliged to contribute, to a comparable extent, to the public burden”. Dat doet zich ook bij de crisisheffing voor. Bovendien wordt ook bij de crisisheffing de belasting rechtstreeks ingehouden bij de werkgever, zodat individuele omstandigheden van de werknemer worden veronachtzaamd. Voorts was de terugwerkende kracht in
N.K.M.beperkter dan die van de crisisheffing. Bij de
fair balance-afweging is ook van belang dat ook via een minder verstorende maatregel (invoering van een vijfde tariefschijf) hetzelfde doel had kunnen zijn bereikt. In
N.K.M.toetste het EHRM niet de individuele positie, maar de hele regeling voor de hele kring van belanghebbenden die ermee geconfronteerd werd. Ook de crisisheffing is niet slechts in een individueel geval maar als zodanig onverbindend.
4.De crisisheffing en haar totstandkomingsgeschiedenis
Kunduz-partijen [26] (VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie) bereikten op 26 april 2012 een akkoord dat het begrotingstekort tot 3% moest terugbrengen (het ‘Kunduz-’ of ‘Lenteakkoord’). Diezelfde dag stuurde de minister van Financiën een concept van het Stabiliteitsprogramma 2012 naar de Tweede Kamer. [27] Op 27 april 2012 stuurde hij het naar de Europese Commissie. Beide stukken vermelden: [28]
De Telegraaf. Op www.telegraaf.nl was onder meer te lezen: [29]
RTL Nieuws, [74] zodat het toch doorgaan van de eenmalige verlenging van de eenmalige crisisheffing al op 15 september 2013 bekend werd. Dat wetsvoorstel is tot wet verheven per 1 januari 2014. [75] Art. XXXII, dat de genoemde wijziging van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 bevat, heeft ongewijzigd het Staatsblad gehaald. [76]
Cursus Belastingrecht: [77]
5.Middel 1: het systeem van de wet
ofwerknemer of heffing van werkgever
en/ofwerknemer), art. 32bd Wet LB wijkt daar zo nodig van af. Na invoering van de crisisheffing voorzag de Wet LB wel degelijk in economische dubbele belasting van hetzelfde loonbestanddeel op twee verschillende tijdstippen; dat was juist de bedoeling van de crisisheffing.
6.Middel 2: het gelijkheidsbeginsel
Burden en Burden [79] overwoog de
Grand Chambervan het EHRM:
Grand Chambervan het EHRM het toetsingskader uiteengezet en aangegeven dat zij in sociale-zekerheidszaken bij toetsing aan art. 14 EVRM Pro
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM in beginsel de
policy choicevan de wetgever respecteert, behalve als die keuze
manifestly without reasonable foundationis:
geversen niet op werknemers en IB-ondernemers, omdat heffing van extra inkomstenbelasting onwenselijke consequenties zou hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat en voor de uitvoerbaarheid (zie 4.9, 4.10, 4.13, 4.22 en 4.32).
oorspronkelijkedoelstelling en tot onevenwichtigheden leidt omdat veelverdieners/niet-werknemers en veelverdienende werknemers bij volgtijdig twee of meer verschillende werkgevers buiten schot blijven. [84] Ook Kawka [85] uit kritiek op de gebrekkige aansluiting van de crisisheffing op het begrotingsakkoord van 25 mei 2012 na te streven doel dat "ook hogere inkomens (…) in deze tijd een extra bijdrage (zullen) moeten leveren aan het oplossen van de begrotingsproblematiek." Dat is volgens Kawka precies wat de crisisheffing niet doet, niet alleen omdat diverse veelverdieners buiten schot blijven, maar ook omdat een eindheffing per definitie ongeschikt is om de veelverdienende werknemer te treffen, nu zij niet verhaald mag worden op die werknemer, die er dus niets van merkt.
oorspronkelijkin het
Kunduz-akkoord aangegeven doelstelling, neemt niet weg dat zij wel degelijk aansluit bij de in het wetsvoorstel en tijdens het wetgevingsproces gegeven doelstelling (werk
geversdie hoge lonen uitbetalen eenmalig mee laten betalen aan het oplossen van de begrotingsproblematiek). Bezien vanuit die doelstelling zijn inhoudingsplichtigen voor de loonbelasting niet gelijk aan belasting-plichtigen voor de inkomstenbelasting. De crisisheffing zoals ingevoerd is geen heffing van hoge inkomens, maar een werkgeversheffing. Zij is geen inkomstenbelasting, maar een loonsomheffing. Zoals de literatuur opmerkte: de veelverdienende werknemer merkt er in beginsel even weinig van als de veelverdienende niet-werknemer (resultaatgenieter, IB-ondernemer of box 3-belegger), zodat niet gezegd kan worden dat binnen de groep van veelverdieners gediscrimineerd wordt. Een rechtvaardiging is dan niet nodig. De relevante vergelijkingsgroep is niet de kring van veelverdieners, want de heffing zit niet aan de genieterskant (en mag evenmin aldaar verhaald worden), maar aan de betaalkant: bij de werkgever. De relevante vergelijkingsgroep is dus de kring van werkgevers. Nu alle werkgevers zijn onderworpen aan de crisisheffing (zie 4.14), is ook in dat opzicht geen sprake van discriminatie. Dat vooral werkgevers die (veel) hoge lonen uitbetalen er door getroffen worden, laat zich horen, gegeven het doel van de maatregel om vooral werkgevers te treffen die (veel) hoge lonen uitbetalen. Evenmin als het gelijkheidsbeginsel in de weg staat aan een progressief inkomstenbelastingtarief, aan een extra hoog omzetbelastingtarief voor zeer luxe goederen, of aan de BPM, staat het in de weg aan een loonsomheffing die aangrijpt of oploopt boven een bepaald loonbedrag dat per werknemer wordt uitbetaald. Hoe dan ook kan mijns inziens niet gezegd worden dat de wetgever bij de noodzaak van afbakening van de kring van belastingplichtigen een keuze heeft gemaakt die manifest arbitrair is, of van elke redelijke grond ontbloot, noch dat zijn keuze voor een in wezen Benthamse progressie zulks zou zijn.
naast elkaarhadden, of aan werknemers die in 2012
volgtijdigtwee verschillende goedbetalende werkgevers hadden, welke werknemers echter op voltijds- resp. voljaarsbasis bij één werkgever meer dan € 150.000 zouden hebben ontvangen. Ik meen dat ook deze vergelijking er aan voorbij ziet dat het niet om het inkomen van de werknemer gaat, maar om de loonsom per werknemer van de werkgever. Aldus beschouwd, is ook op dit punt van ongelijke behandeling geen sprake en is een rechtvaardiging dus niet nodig. Voor zover al sprake zou zijn van ongelijke behandeling, acht ik die gerechtvaardigd door de noodzaak het belastingtijdvak (het jaar 2012) en de kring van belastingplichtigen (werkgevers) af te bakenen en door overwegingen van uitvoerbaarheid. Hoe dan ook heeft de wetgever zijn ruime beoordelingsmarge naar mijn mening niet overschreden door de werkgeversheffing te beperken tot de loonsom die die werkgever uitbetaalt. Dit zou anders kunnen zijn als de wetgever niets gedaan zou hebben tegen makkelijk te organiseren
salary splitsen nep-zelfstandigheid, maar daartegen waken juist de in 4.40 hierboven genoemde concernbepaling en de – volgens de medewetgever overbodige – in 4.41 hierboven geciteerde antimisbruikbepaling.
7.De terugwerkende kracht van de crisisheffing
common lawonderscheidt
retroactivevan
retrospective.
Retroactivityzou in Nederland ‘formeel terugwerkende kracht’ zijn. [92] Pauwels omschrijft
retroactivityals volgt: [93]
Arnaud c. France [102] signaleert het EHRM het opmerkelijke Franse gebruik inderdaad om pas in de loop van een jaar belastingwetgeving voor dat jaar door te voeren, maar hij heeft het in dat verband wel degelijk over “
la rétroactivité” van die wetgeving:
Arnaudheeft het EHRM het wel degelijk over
retroactiveomdat
the key issue, de belastbare gebeurtenis, onmiskenbaar is het uitbetalen van loon in het kalenderjaar 2012; aldus uitdrukkelijk de wetgever (zie 4.23, 4.31 en 4.34 hierboven). Die belastbare gebeurtenis ligt voor een groot deel vóór het moment van formele inwerkingtreding, dat op zijn vroegst op 17 juli 2012 kan worden gesitueerd. Men merke daarbij op dat de crisisheffing bovendien veel verder gaat dan ‘regeren bij persbericht’; het persbericht (de aankondiging) kan immers pas op zijn vroegst op 25 mei 2012 gesitueerd worden, terwijl ook geheven wordt over het reeds in de periode 1 januari-25 mei 2012 uitbetaalde en toen reeds belaste loon en dat ook uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever was.
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungary(zie 8.24 hieronder), over het op vergelijkbare wijze als in casu met deels terugwerkende kracht belasten van ontslagvergoedingen, blijkt overigens, net als uit de zaak
Arnaud,dat voor de vraag of belastingheffing onvoorzienbaar terugwerkt, niet het nationale recht of de nationale benoeming (formeel of materieel) beslissend is. Beslissend is of een onvoorzienbare terugwerking de
fair balancetussen privaat en publiek belang schendt doordat ‘those who act in good faith on the basis of law [are] frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’. In
M.A. a.o. v Finlandgaat het om ‘an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1’; het gaat volgens dat arrest om de verhouding tussen ‘the reasons for the retroactivity and (…) the impact of the retroactive law on the position of the applicants. Aan die criteria moet dus getoetst worden.
Temporeel terugwerkende belastingheffing en het eigendomsrecht; EHRM-rechtspraak
lawfulzijn, (ii) een
legitimate aimdienen en (iii) een
fair balancetussen publiek en privaat belang slaan. [103] Een recente illustratie uit vele (de sociale-zekerheidszaak
Béláné Nagy v. Hungary [104] ):
Burden and Burden [105] overwoog de
Grand Chambervan het EHRM:
lawfulis, (ii) een
legitimate aimheeft en (iii) de vereiste
fair balancerespecteert.
Lawful’betekent zowel op basis van een geldige en behoorlijk gepubliceerde wet als niet-arbitrair. [108] De eis van
lawfulnessis volgens het EHRM “
the first and most important requirement”. [109] Die eis houdt onder meer in dat de nationale maatregel ‘
sufficiently accessible, precise and foreseeable’ moet zijn: [110]
lawfulnesstest. Terugwerkende kracht van belastingheffing wordt echter door het EHRM soms wel, soms niet onder de
lawfulnesstoets onderzocht en is tot op heden niet afgekeurd op gebrek aan
lawfulness.
Álsterugwerkende belastingheffing sneuvelt wegens strijd met het eigendomsgrondrecht, zoals in de zaak
Jouberten in de Hongaarse zaken
N.K.M., R.Sz. en Gáll, dan is het onder de
legitimate aimtest (
Joubert) of onder de
fair balancetest, waar het Hof tegenwoordig vaak meteen op af stevent, met overslaan van de
lawfulnesstest. In
dézaak over terugwerkende belastingheffing (
M.A. a.o. v. Finland; zie 8.22 hieronder), ging het Hof niet in op de
foreseeabilityvan de terugwerkende heffingsmaatregel, maar concentreerde hij zich op de
fair balance. Pauwels verklaart dit als volgt: [111]
N.K.M. v. Hungary, [119] over excessief en deels met terugwerkende kracht belaste ontslagvergoedingen van ontslagen ambtenaren, toetste het EHRM de terugwerkende kracht (vergelijkbaar met die in de zaak van onze belanghebbenden) weer wél mede aan de
lawfulness-eis, maar achtte hij die niet geschonden. Hij achtte het eigendomsgrondrecht in die zaak geschonden wegens het niet respecteren van een
fair balancetussen publiek en privaat belang. Pauwels acht deze toetsingsvolgorde niet in lijn met eerdere jurisprudentie van het EHRM. [120] In de vrijwel identieke belastingzaak
R.Sz. v. Hungary [121] sneed het EHRM de terugwerkende kracht van de excessieve ontslagvergoedingsheffing wel aan in het kader van de
lawfulness-eis, maar in die zaak achtte hij het niet nodig om er reeds bij die toets op in te gaan, omdat de terugwerkende kracht meegewogen zou worden bij de proportionaliteitseis:
Arnaud(zie 7.12 en 8.3) over terugwerkende kracht van een wijziging van het belastingverdrag tussen Monaco en Frankrijk beoordeelde het EHRM de terugwerkende kracht weer meteen onder de proportionaliteitstoets en niet (tevens) onder de
lawfulnesstest. Pauwels schreef in EHRC 2015/76 onder dat arrest:
Staatsbladis gepubliceerd.
Staatsbladgeplaatst.
Olsson (No. 1 )Case, [128] the notion of ‘quality of the law’ requires that, as a corollary of the foreseeability test, adequate safeguards against abuses must be proffered in a manner that would clearly demarcate the extent of the authorities’ discretion and define the circumstances in which it is to be exercised. [129] The Court has continuously stressed the importance of such safeguards, linking the notion of ‘in accordance with law’ with the overarching principle of the rule of law. (…).”
fair balance(ècht) beoordeelt (de beoordeling onder de
lawfulnesstest in de
N.K.M.-zaak en onder de
legitimate aimtest in
Joubertzijn kennelijk uitzonderingen), (ii) áls hij toetst onder
lawfulness, hij niet op die grond strijd met art. 1 Protocol Pro I aanneemt of de uiteindelijke beoordeling doorschuift naar de
fair balancetest, en (iii) blijkens de
R.Sz.-zaak het passeren van de test niet concludent is omdat daarna de proportionaliteitstest nog komt, ga ik ervan uit dat ook de terugwerkende kracht van de crisisheffing niet onder de
lawfulnesstest beoordeeld hoeft te worden, c.q. die test ongeschonden passeert als voldoende
lawful.
a legitimate public (or general) interest’ (zie 8.2 hierboven) dient, heeft de wetgever in belastingzaken een ruime beoordelingsmarge en moet het ‘publieke belang’ breed worden opgevat. In de zaak
N.K.M.overwoog het EHRM:
N.K.M.(zie 8.13), liet het EHRM de
legitimacyvan dat doel in het midden, omdat het doel van de heffing nog beoordeeld zou worden bij de beoordeling van de
fair balancetussen privaat en publiek belang:
fair balanceis geslagen tussen (zie r.o. 80 van
Building Societies; hieronder, 8.21, geciteerd, en
M.A. a.o. v. Finland, hieronder, 8.22 geciteerd, en r.o. 60 van
N.K.M. v. Hungary, hieronder, 8.23, geciteerd):
N.K.M.-zaak overwoog het EHRM:
M.A. a.o. v. Finland [133] overwoog het EHRM daaromtrent:
A.B.C. and D.v.
UK. [134] Vier
solicitorswaren in maart 1977 ieder afzonderlijk een
partnershipaangegaan met twee kapitaalvennootschappen en een handelaar in
commodity futures. Het doel was om met kunstmatige opzetjes fiscaal-technisch verliezen te lijden om die af te zetten tegen de praktijkwinsten van die
solicitors. De Britse wetgever kondigde op 25 november 1977 wetgeving aan die de aftrekbaarheid van zulke
designerverliezen met terugwerkende kracht naar 6 april 1976 onmogelijk zou maken. De toen nog bestaande Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) achtte die terugwerkende kracht niet in strijd met art. 1 Eerste Pro Protocol omdat het ging om de bestrijding van een qua effectiviteit reeds eerder in twijfel getrokken specifieke vorm van wetsontduiking:
Building Societies [135] betrof doorkruising van een aanspraak op teruggave van belasting ontstaan door onverwachte ongeldigverklaring, door het
House of Lords, van bepaalde
tax regulations. Met terugwerkende kracht werd een regeling ingevoerd die de teruggave verhinderde. Het EHRM achtte dat aanvaardbaar omdat het ging om een wetsreparatie die moest voorkomen dat de
Building societieseen ongerechtvaardigd
windfall benefitzouden behalen door een tijdelijk onbedoeld technisch defect in die
regulations, terwijl de heffingsbedoelingen van het parlement hen volstrekt duidelijk waren geweest. Anders gezegd: het eigendomsgrondrecht is er niet om ongerechtvaardigde verrijking te faciliteren:
M.A. a.o. v. Finlandbetrof een op 16 september 1994 aangekondigde en ingediende wetswijziging per 1 januari 1995. Uitoefening van werknemersopties zou vanaf de laatst genoemde datum als loon (hoog tarief) in plaats van als vermogenswinst (laag tarief) belast gaan worden. Bedrijven pasten daarop snel hun
incentive programmesaan om vervroegde uitoefening (vóór 1 januari 1995) van dergelijke opties mogelijk te maken. De wet kreeg daarop alsnog formeel terugwerkende kracht naar 16 september 1994 om ook de na indiening maar vóór inwerkingtreding kunstmatig vervroegde optie-uitoefeningen als loon te kunnen belasten (de wet had ook materieel terugwerkende kracht omdat hij ook gold voor reeds langer bestaande optiecontacten). Op de klacht dat de terugwerkende kracht art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM schond, stelde het EHRM voorop dat art. 1 terugwerkende Pro kracht op zichzelf niet verbiedt. De materieel terugwerkende kracht viel volgens het Hof binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever. De formeel terugwerkende kracht achtte het EHRM in casu proportioneel, omdat hij gericht was tegen het heffingsfrustrerende en ongelijkheid scheppende kunstmatig vervroegen van optie-uitoefening en omdat het om
real profitsging ter zake waarvan de klagers niet de gerechtvaardigde verwachting konden hebben dat het tarief tot in lengte van jaren ongewijzigd zou blijven, terwijl het toegepaste loontarief niet
confiscatoryof
excessivewas. Het EHRM ‘
did not exclude’ dat zijn oordeel anders zou zijn uitgevallen als de terugwerkende kracht ook niet-gemanipuleerde optie-uitoefeningen (‘
pure cases’) had getroffen; in dat geval zou terugwerkende belastingheffing naar een aanmerkelijk hoger tarief in strijd met art. 1 Protocol Pro I kunnen zijn. Omdat de klagers niet zulke
pure caseswaren, achtte het EHRM hun klachten
manifestly ill-foundeden daarom niet-ontvankelijk:
Joubert [136] greep de Franse wetgever in in bij de rechter lopende belastingzaken om een heffingsbevoegdheidsgebrek dat in de papieren begon te lopen met terugwerkende kracht te herstellen. Het EHRM achtte dit louter om budgettaire redenen ingrijpen met terugwerkende kracht in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM. Het louter budgettaire belang ad circa FF 1,1 miljard of circa € 183 miljoen bij terugwerkende kracht was in casu geen legitiem doel:
legitimate aim, maar had moeten meewegen bij de
fair balancetest: [137]
N.K.M.,
Gáll [138] en
R.Sz.was de terugwerkende kracht één van de factoren die leidde tot het oordeel dat in die zaken art. 1 Protocol Pro I EVRM was geschonden. Op het punt van de terugwerkende kracht herhaalde het EHRM zijn ‘waarschuwing’ uit de zaak
M.A. v. Finlanddat (r.o. 74
N.K.M.):
Haviltex-opsomming argumenten en omstandigheden ongewogen door elkaar heen laat lopen, waaronder de materieel terugwerkende kracht, het ontbreken van overgangsrecht, de afwezigheid van een wettelijk lek of defect, de afwezigheid van misbruik en de goede trouw van de belastingplichtigen, maar ook de voor onze zaak minder relevante
substantial personal hardships, het beginsel van gelijkheid voor de publieke lasten, de frustratie van werknemersverwachtingen, en de plotselinge en ongeëvenaarde verdrievoudiging van het tarief, is moeilijk te zeggen welke factor hoeveel heeft bijgedragen tot het eindoordeel. Wellicht heeft het EHRM in deze nogal politieke zaken [140] zijn best gedaan om zoveel mogelijk strikt juridische argumenten en voor zichzelf sprekende feiten en omstandigheden te compileren.
Arnaud c. Francebetrof een wijziging van het belastingverdrag tussen Monaco en Frankrijk, die in Frankrijk werd goedgekeurd bij wet van 14 maart 2005 (gepubliceerd op 23 augustus 2005) waardoor Frankrijk met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 vermogensbelasting kon heffen van in Monaco wonende Fransen. De verdragswijziging en de beoogde ingangsdatum 1 januari 2002 waren vóór 2002 al publiekelijk aangekondigd, nl. op 24 oktober 2001. De te treffen vermogende uitwijkelingen waren bovendien bij brief van 2 mei 2002 geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om te anticiperen op de terugwerkende inwerkingtreding door de belasting reeds jaarlijks (vrijwillig) te betalen in plaats van haar te laten cumuleren tot 2005. Het EHRM achtte de terugwerkende kracht niet in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM, waarbij hij er veel belang aan hechtte dat het doel van de maatregel was het beëindigen van de ontwijking van de vermogensbelasting en dat de heffing tijdig aangekondigd en daarmee voorzienbaar was en de betrokkenen de gelegenheid hadden gekregen anticiperend gespreid te betalen:
EHRC2015/76 onder meer:
Arnaud), hij kan ook verwachten dat de wetgever hem niet ongemoeid bestaande belastingen kunstmatig zal laten ontduiken (
A.B.C. and D.) of kunstmatig het temporele bereik van een al aangekondigde en dus voorzienbare wetswijziging zal laten frustreren (
M.A. a.o. v. Finland), noch hem zal laten profiteren van een op basis van de wet ongerechtvaardigde en uit de lucht vallende
windfall profitdoor een pas bij rechterlijke uitspraak blijkende technische lacune in bestaande wetgeving (
Building Societies). In al deze zaken over heffing met terugwerkende kracht kon de belastingbetaler op zijn vingers, op zijn klompen of aan zijn water weten dat de wet wel eens met formeel terugwerkende kracht zou kunnen worden gewijzigd uit antimisbruik- of reparatie-oogpunt.
nietbestaat uit het verlenen van terugwerkende kracht aan de heffing (want die had zij al), en dat het feitelijk ook onmogelijk lijkt om de heffing over het loon tot mei 2012 te ontwijken: vóór 26 april was immers niemand ergens van op de hoogte en tot 16 c.q. 25 mei niet van terugwerkende kracht. Het gaat dus in het geval van de belanghebbenden, in elk geval bij het loon tot mei 2012, om ‘
pure cases’ in de zin van de zaak
M.A. a.o. v. Finland(zie 8.22 hierboven), waarin geen sprake kan zijn van voorzienbaarheid van de heffing en dus van grensverkennend of ontwijkend gedrag geen sprake is. Ook ter zake van de heffing over het loon 2012 uitbetaald ná 26 april 2012 is overigens in geen instantie gesteld of gebleken dat van ontwijkgedrag sprake zou zijn (geweest).
M.A. a.o. v Finland).
Pressos Compania Naviera SA [141] verraadt geen groot begrip van het EHRM voor het om puur budgettaire redenen ingrijpen in bestaande aanspraken, maar die zaak betrof wetgeverlijk terugwerkend ingrijpen in tegen de overheid lopende en in een aantal gevallen reeds in eerste aanleg door de klagers gewonnen overheidsaansprakelijkheids-gedingen. Het EHRM achtte de aangevoerde budgettaire redenen geen rechtvaardiging:
public officials. In de zaak
Savickas v. Lithuania [142] verzetten rechters zich tegen de daaruit voor hen voortvloeiende salarisverlaging, onder meer met een beroep op hun onafhankelijkheid. Het Hof beoordeelde eerst of de ingreep in het algemeen belang was:
fair balancegeschonden was. Dat was niet het geval, gegeven de moeilijke financiële omstandigheden en het feit dat de betrokken rechters later alsnog compensatie voor de salarisreductie hadden ontvangen:
zonderterugwerkende kracht, maar voor
onbepaalde tijd, de salarissen in de publieke sector te verminderen met 12% tot 30% en in mei 2010 met nog eens 8%; bovendien werden – eveneens slechts voor de toekomst – kerst-, paas- en vakantietoeslagen voor ambtenaren stopgezet; een en ander ook voor gepensioneerden. In de zaak
Koufaki et ADEDY [144] trokken (vertegenwoordigers) van getroffenen naar het EHRM. Gezien de
crise exceptionnelle sans précédent dans l’histoire récentewaarin Griekenland verkeerde, achtte het EHRM de budgettaire redenen voldoende gewicht in de
balanceleggen:
Da Conceição Mateus and Santos Januário [145] blijkt dat budgettaire crises voldoende rechtvaardiging kunnen zijn voor aantasting van het eigendomsrecht. Portugal bestreed zijn budgettaire crisis door –zonder terugwerkende kracht – fors te korten op de vakantie- en kersttoelagen van ambtenarenpensioenen. Het EHRM achtte dat aanvaardbaar, gegeven dat de maatregelen tijdelijk waren en dat de omstandigheden zeer uitzonderlijk waren, ‘asphyxiating the Portuguese economy’:
wide margin of appreciation. (…). Deze
wide margin of appreciationwordt begrensd als de afweging
manifestly without reasonable foundationis of als sprake is van wetgeving met formeel terugwerkende kracht.
9.Nationale jurisprudentie
wide margin of appreciationniet overschreden; van een individuele en buitensporige last bleek niet:
M.A. v. Finland; PJW] dient een verdragsstaat bij het treffen van een maatregel die leidt tot een ontneming van eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol een 'fair balance' te treffen tussen de eisen van het algemeen belang en die van de bescherming van fundamentele rechten van het individu. Bij de beoordeling van de vraag of een staat aan dit vereiste heeft voldaan dient echter een 'wide margin of appreciation' aan die staat te worden toegekend, zeker indien het belastingmaatregelen betreft. Het Hof heeft in zijn uitspraak met juistheid tot uitdrukking gebracht dat, voor zover sprake is van een aantasting van eigendomsrechten als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol, de wetgever in het onderhavige geval de grenzen van deze 'wide margin of appreciation' niet heeft overschreden. Uit hetgeen belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd kan voorts niet, zoals nodig is voor honorering van een beroep op artikel 1 Eerste Pro Protocol, worden afgeleid dat het ontbreken van een overgangsregeling bij de onderwerpelijke wetswijziging in zijn specifieke omstandigheden voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden').”
M.A. a.o. v. Finland; PJW]. De in geding zijnde wettelijke regeling heeft voorts niet tot gevolg dat een onredelijke last op belanghebbende is gelegd. Belanghebbende bezat tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 70c, lid 2, van de Wet IB 1964 niet meer dan een verwachting dat een eventuele waardestijging van de aandelen in A BV belastingvrij zou kunnen worden geïncasseerd. Het doorkruisen van deze verwachting, gebaseerd op het ongewijzigd blijven van de wet, levert geen schending op van artikel 1 van Pro het Protocol (vgl. HR 1 april 2005, nr. 40 537, BNB 2005/227, alsmede de hiervoor vermelde beslissing van het EHRM).”
gehele(bruto)opbrengst, [158] zonder aftrek en alleen van de exploitant, aan wie echter contractueel meestal niet dat gehele resultaat toekwam. De wetswijziging betekende daardoor een forse belastingverhoging ten laste van de exploitant. Door het negeren van bestaande langer lopende contracten was sprake van materieel terugwerkende kracht. U achtte dat niet
unlawful(BNB 2014/219):
fair balanceaan snee. In de zaak BNB 2014/220 had het Hof Amsterdam geoordeeld dat de wetgever die
balancereeds op regelgevingsniveau had geschonden, zodat de wetgeving als geheel in strijd was met art. 1 Protocol Pro I EVRM. U vernietigde die uitspraak en verwees voor een individuele beoordeling of sprake was van een
excessive burden:
triggeringrechtsfeit) voor die heffing is de beëindiging van de dienstbetrekking. Alleen vergoedingen bij vertrek ná de datum van inwerkingtreding van de wet werden getroffen. HR BNB 2014/229 betrof een vertrek per 1 oktober 2009. Het boven-matige deel van de vergoeding werd echter berekend door het loon in het vertrekjaar (2009) én het loon in het voorafgaande jaar (2008) te vergelijken met het toetsloon (het loon in het dááraan voorafgaande jaar (2007)) als dat toetsloon hoger was dan € 508.500 (de regeling gold niet als het loon 2007 lager dan € 508.500 was). Voor zover het loon in 2008 en 2009 meer bedroeg dan het loon 2007, werd het geacht bovenmatig onderdeel te zijn van de vertrekvergoeding 2009. Daarover moest de werkgever pseudo-eindheffing (30%) betalen voor zover die vertrekvergoeding hoger was dan het loon 2007. In de zaak HR BNB 2014/229 was aan de in 2009 vertrekkende CEO toegekend (i) in 2009 een vertrekvergoeding ad € 1,35 mio en (ii) in 2008 een voordeel in aandelen ad circa € 1,8 mio, het laatste vóór inwerkingtreding van artikel 32bbart. 32bb Wet LB 1964 en vóórdat het wetsvoorstel daartoe was aangekondigd. U achtte deze materieel terugwerkende kracht aanvaardbaar onder art. 1 Protocol Pro I EVRM omdat de heffing voldoende voorzienbaar was, omdat zonder inaanmerkingneming van het loon in 2008 heffingsfrustrerende aankondigingseffecten niet konden worden voorkomen en omdat aan de toekenning van het aandelenvoordeel in 2008 slechts gevolgen werden verbonden voor de berekening van een belastingschuld in 2009 (hetgeen suggereert dat u meende dat het 2008-voordeel zelf niet in de heffing werd betrokken):
runop gemeenten; landgenoten wilden profiteren van het ontstane heffingsvacuüm. De wetgever nam met formeel terugwerkende kracht naar de aankondigings-datum (persbericht van 22 september 2011) alsnog in de gemeentewet een heffingsgrondslag op bij reparatiewet van 13 oktober 2011. De procedure waarin belanghebbenden betoogden dat die terugwerkende reparatie art. 1 Protocol Pro I EVRM schond, deed u in HR
V-N2015/18.16 af met art. 81 Wet Pro RO. [162] Nu het ging om het voorkomen van een onverwacht
windfall benefitals gevolg van een door bijna niemand vóóraf doorgrond technisch wetsgebrek, had de wetgever ook kunnen doen terugwerken naar 9 september 2011 (de datum van uw arrest HR BNB 2011/257). Dat blijkt immers uit het EHRM-arrest
Building Societies(zie 8.21).
10.De feitenrechters
fair balancein zo verre de crisisheffing op het moment van het belastbare feit (de relevante loonbetaling; in dat geval februari 2012) niet voorzienbaar was:
nietwas overschreden ten tijde van de aankondiging van de crisisheffing (26 april 2012) c.q. de inwerkingtreding van de wet (18 juli 2012):
11.Middel 3: art. 1 Protocol Pro I EVRM
lawfulnessen het
legitimate aimvan die heffing en haar terugwerkende kracht (die zijn min of meer gegeven), maar op de
fair balance between the interests at stake.
M.A.a.o.
v. Finland(zie 8.31) dat de wijziging van de fiscale behandeling van optiecontracten per toekomstige datum “as such certainly falls within this margin”, hoezeer de nieuwe belastingwet ook voor reeds lopende optiecontracten gold.
Arnaud(zie 8.25) en uit uw arresten HR BNB 2002/137 (economische eigendom; zie 9.2) en HR BNB 2005/227 (landbouwvrijstelling; zie 9.3). De crisisheffing is voor het eerst aangekondigd op 26 april 2012 (zie 4.1). De Rechtbank Noord-Holland heeft daarom terugwerkende kracht naar die datum toegestaan (zie 10.1). Die aankondiging was echter verre van duidelijk (“hogere inkomens zullen (…) een extra bijdrage moeten leveren” en “worden in 2013 tijdelijk extra belast met een werkgeversheffing”) en kondigde bovendien geen terugwerkende kracht of effect aan; integendeel: zij wekte de schijn van een werkgeversheffing over 2013 (‘in 2013’). Het op 16 mei 2012 uitlekken van meer details via
De Telegraaf(zie 4.2) is geen aankondiging van regeringswege op basis waarvan belastingplichtigen hun gedrag kunnen bepalen. De crisisheffing en vooral haar beoogde terugwerkende kracht zijn mijns inziens op zijn vroegst in de op 25 mei 2012 gepresenteerde Voorjaarsnota 2012 (zie 4.4) voldoende aangekondigd.
windfall benefitszou leiden (EHRM
Building Societies), of tot bestrijding van antifiscale constructies (EHRM
A., B., C. en D. v. UK; zie 8.20).
nietwerd aangekondigd.
M.A. a.o. v. Finland;zie 8.22). Ook u staat dat (dus) toe, bijvoorbeeld in HR BNB 2011/47 (9.7 hierboven). In casu is bestrijding van aankondigingseffecten vóór 26 april 2012 echter ondenkbaar, bij gebrek aan aankondiging. De (vage) aankondiging van 26 april 2012 kondigde vervolgens juist géén terugwerkende kracht aan, maar dat ‘in 2013’ een werkgeversheffing zou volgen. Deze formulering kon werkgevers redelijkerwijs slechts tot de conclusie voeren dat pas over 2013 geheven zou worden en kon voor hen dus juist reden zijn om voor 2013 voorziene loonbestanddelen juist naar 2012 te halen. Pas op 25 mei 2012 werd duidelijk dat het verhullende ‘in 2013’ in het
Kunduz-akkoord betekende ‘over (heel) 2012’, dus met terugwerking ruim voorbij de aankondiging. De door het EHRM in de zaak
M.A. v. Finlandaanvaarde terugwerkende kracht daarentegen (i) besloeg juist uitsluitend het tijdvak
náde aankondiging van de wetswijziging en (ii) trof uitsluitend werkgevers en -nemers die ná die aankondiging daadwerkelijk hun optiecontracten open braken met het oog op frustratie van de tijdig aangekondigde heffing. Het EHRM sloot in die zaak uitdrukkelijk niet uit dat zijn oordeel anders zou luiden als de terugwerkende kracht ook niet-gemanipuleerde gevallen (
pure cases) zoals onze belanghebbenden zou hebben getroffen (zie 8.22). Van enig aankondigingseffect is in casu niet gebleken. Tot 25 mei 2012 of in het uiterste geval 16 mei 2012 was enig aankondigingseffect zelfs feitelijk onmogelijk. ’s Hofs r.o. 7.11 dat “de gevolgen van de mogelijke invoering van de crisisheffing (..) ruimschoots voor het sluiten van het Begrotingsakkoord 2013 op 26 april 2012 in de publiciteit (zijn) geweest”, is, voor zover ik heb kunnen nagaan, onjuist.
nietbestaande – terugwerkende kracht ‘vooral om ontwijkgedrag te voorkomen’ zou zijn, is, gezien het bovenstaande, even onjuist als zijn niet-onderbouwde stelling dat geen sprake zou zijn van terugwerkende kracht. Die onjuiste stelling is des te bevreemdender nu de staatssecretaris eerder, in de Tweede Kamer, juist steeds had volgehouden dat géén ontwijkgedrag te verwachten viel en hij door de Tweede Kamer gedwongen moest worden om een anti-ontwijkingbepaling te ontwerpen (zie 4.27) die overigens ontwijking
nietbestreed met terugwerkende kracht.
balancelegden om bij werkgevers die daar niet op of mee konden rekenen de door hen vóór 25 mei 2012 betaalde loonsom met formeel en materieel terugwerkende kracht opnieuw te belasten. Met Poelmann (zie 8.36) meen ik dat een louter budgettair belang bij terugwerkende heffing niet op zichzelf al disproportioneel hoeft te zijn, maar dat een belangenafweging moet worden gemaakt; de vraag is of het voorrang geven aan het budgettaire belang bij terugwerkende kracht, gegeven de daartegenover af te wegen private belangen, evident onredelijk is. Zoals het EHRM overwoog in
M.A. v. Finland: “whether [terugwerkende belastingheffing; PJW] is compatible with Article 1 of Protocol No. 1 depends, first, on the reasons for the retroactivity and, secondly, on the impact of the retroactive law on the position of the applicants.” Nederland had een budgettair probleem en een zo snel mogelijke verhoging van de belastingopbrengst is geen vreemd beleid bij acute budgettaire problemen. Uit de EHRM-zaken
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungary(zie 8.24) volgt wel dat:
Kunduz-akkoord is Nederland zijn AAA-status bij
Standard & Poor'skwijt geraakt (maar niet bij
Fitchen
Moody’s). Duidelijk is dat vele EU-landen, ook Frankrijk, veel ruimer de EU-begrotings- en -staatsschuldnormen overschreden en schrijden en dat van een dreigend of technisch staatsfaillissement, zoals in Ierland en nog steeds in Griekenland, in Nederland in de verste verte geen sprake was. Het
Kunduz-akkoord vermeldt:
Da Conceição Mateus and Santos Januário; 8.35 hierboven) en Griekenland (zie
Koufaki et ADEDY; 8.34 hierboven), die voor € 75 miljard respectievelijk € 240 miljard aan het infuus van de EU en het IMF lagen, in het geval van Griekenland gecombineerd met een
haircutvan meer dan € 100 miljard op de staatsschuld in handen van private partijen. [168] Van een ‘crise exceptionnelle sans précédent dans l’histoire récente’ (Griekenland; zie 8.34) of een ‘asphyxiation of the economy’ (Portugal; zie 8.35) was in Nederland geen sprake. Het ging slechts om het behouden van ‘de sterke reputatie op de financiële markten’, dus kennelijk slechts om het zo laag mogelijk houden van de rente op nieuwe Staatsleningen door het zo hoog mogelijk houden van de
credit rating. Hoe dicht Portugal en Griekenland zich ook bij de rand van de budgettaire afgrond bevonden, deze landen bedienden zich niet van terugwerkende heffingen.
Kunduz-akkoord was om het begrotingstekort terug te dringen tot onder de EMU-norm van 3%, dus met 1,5 procentpunt, of € 9,3 miljard. De crisisheffing over 2012 moest (inclusief terugwerkende kracht) € 500 miljoen opleveren (zie 4.34); dat bedrag zou geenszins zijn misgelopen met een heffing over loon betaald ná mei 2012 (bijvoorbeeld over de periode juni 2010-juni 2013; of over de periode juni-december 2012 voor zover in die periode meer dan € 100.000 per werknemer zou worden uitgekeerd; ook dan zou de opbrengst geheel in 2013 gevallen zijn, zoals beoogd). Maar zelfs in het volstrekt onaannemelijke geval dat een crisisheffing over loon betaald ná mei 2012
nietsopgeleverd zou hebben in 2013, zou dat het begrotingstekort met slechts circa 0,08 procentpunt beïnvloed hebben (€ 9,3 miljard verlaagde het tekort met 1,5 procentpunt, zodat € 0,5 miljard een invloed van (0,5/9,3)*1,5= 0,08 procentpunt had). Tijdsevenredig (over 1 januari-25 mei 2012) gaat het om het mislopen van (146/366 * 0,08% =) [170] 0,03% van de rijksbegroting.
ergensover gaan. Een
fair balancekan er niet uit bestaan dat de belastingwetgever bij een vèr - zelfs voorbij de aankondiging - terugwerkende, voor de getroffenen (zeer) substantiële, maar budgettair volstrekt marginaal effectieve heffing alleen maar het woord ‘budget’ hoeft te prevelen. Een ‘obvious and compelling public interest’ bij terugwerkende kracht, zoals in
Building Societies(zie 8.21), ontbreekt manifest, met name de ‘
specificand
compellingreasons’ die het EHRM in
N.K.M.(zie 8.24) eiste bij ‘frustration’ of ‘statute-based expectations’ bij ‘those who act in good faith on the basis of law’, zoals in casu.
juistde terugwerkende kracht wenste waarvan volgens hem geen sprake was.
M.A. v. Finland(zie 8.22) dat “whether [the retroactive application of the law] is compatible with Article 1 of Protocol No. 1 depends, first, on the reasons for the retroactivity and, secondly, on the impact of the retroactive law on the position of the applicants.” De impact voor de getroffen werkgevers is dat hun loonkosten ter zake van de desbetreffende werknemers met 16 procentpunten stijgen. De belanghebbenden hebben laten zien (zie de tabel in 3.3) dat de bedragen die zij hebben moeten afdragen substantieel zijn en niet onder het kniesoorbeginsel (zie uw in 9.5 geciteerde arrest) vallen.
geen enkeleafweging heeft plaatsgevonden van welk belang bij terugwerkende kracht dan ook tegenover de ‘impact’ van die terugwerking ‘on the position’ van de belanghebbenden. Ik meen daarom dat in casu sprake is van “an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1” in de zin van de zaak
M.A. a.o. v. Finlanden van schending van de in de drie Hongaarse pensioenheffingszaken door het EHRM gestelde eis dat ‘those who act in good faith on the basis of law should not be frustrated in their statute-based expectations without
specificand
compellingreasons’ (
curs. PJW).
12.Rechtsherstel
Subsidiair:Individual and excessive burden?
balanceniet
unfairwas, rijst nog de vraag of de crisisheffing los van haar terugwerkende kracht een
individual and excessive burdenop de belanghebbenden legde. Ik ga daarom volledigheidshalve op die vraag in.
individual and excessive burdenvoordoet een maatstaf kunt geven: [174]
excessiveis? Mijn ambtgenoot Van Hilten concludeerde in de in 9.8 geciteerde zaak over het Mrb-tarief voor bestelauto’s:
excessive burdenblijkt uit de eerder genoemde zaak
N.K.M.v.
Hungary, waarin het EHRM over een in verhouding tot het normale tarief (16%) relatief zeer hoog gemiddeld tarief tussen 52 en 60% overwoog:
individual and excessive burdenvoordoet, verraadt mijns inziens evenmin een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige gaat het hier om feitelijke oordelen die aan uw beoordeling zijn onttrokken, nu zij niet onvoldoende zijn gemotiveerd.