ECLI:NL:RBNNE:2018:809

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2018
Publicatiedatum
9 maart 2018
Zaaknummer
C/18/182464 / PR RK 18-56
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 lid 5 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek tot wraking van alle rechters wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een wrakingsverzoek ingediend tegen alle rechters van de rechtbank, de rechterlijke macht en de rechtsstaat. Dit verzoek werd gedaan op grond van vermeende vooringenomenheid van de rechters.

De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het beginsel van rechterlijke onpartijdigheid zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. Hierbij geldt de uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid.

De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet voldeed aan de vereisten omdat het geen concrete feiten of omstandigheden bevatte die de onpartijdigheid van individuele rechters aantasten. Het verzoek richtte zich op de gehele rechterlijke macht en de rechtsstaat, wat niet als grond voor wraking kan dienen. Daarom werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Een zitting ter behandeling van het wrakingsverzoek werd achterwege gelaten omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was en een debat over de gegrondheid daardoor niet aan de orde was. De beslissing werd op 27 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van verzoeker tegen alle rechters is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen
128933 / HA RK 11-30516 september 2018
Meervoudige wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/18/182464 / PR RK 18-56
Datum beslissing: 27 februari 2018
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[naam],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen,
in persoon procederende.

1.Het procesverloop

1.1
Bij brief van 19 februari 2018, ter griffie van deze rechtbank eveneens ontvangen op 19 februari 2018, heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking gedaan van elke rechter in deze rechtbank, de rechterlijke macht en de rechtsstaat.
1.2
De rechtbank heeft bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.

2.De beoordeling

2.1
Ingevolge artikel 8:15 e.v. Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
2.3
Voor zover [verzoeker] zich met zijn brief van 19 februari 2018 richt tegen de beslissing van de wrakingskamer in deze rechtbank van 27 maart 2017, kan dat niet leiden tot een andersluidende beslissing dan toen is gegeven omdat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open staat (artikel 8:18 lid 5 Awb Pro).
2.4
Voor zover [verzoeker] bedoelt een nieuw wrakingsverzoek in te dienen, wordt als volgt overwogen. [verzoeker] wraakt in zijn brief (elke rechter in) deze rechtbank, de rechterlijke macht en de rechtsstaat. Uit artikel 8:15 Awb Pro blijkt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Een beweerd gebrek aan onafhankelijkheid van (alle rechters in) een rechtbank, de rechterlijke macht als geheel of de “rechtsstaat’ levert derhalve geen grond voor wraking op. Dit geldt evenzeer voor het op voorhand wraken van ieder lid van de rechtbank of ieder lid van een rechterlijk college. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2.5
Naar het oordeel van de rechtbank kan een behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek achterwege blijven, nu een zitting is bedoeld voor een debat over de gegrondheid van het verzoek. Omdat het verzoek evenwel kennelijk niet-ontvankelijk is, is een debat over de gegrondheid van het verzoek niet aan de orde (vgl. conclusie AG in HR 18-12-1998, ECLI:NL:PHR:1998:AD2977).

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [verzoeker] kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.M. Visser, voorzitter, mrs. S. Dijkstra en M. Sanna, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.
c402