Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Staan in casu de algemene beginselen van behoorlijk bestuur eraan in de weg om de onderwerpelijke informatiebeschikking in stand te laten, nu deze beschikking slechts ziet op niet-heelbare (vermeende) schending van artikel 52 Algemene Pro Wet inzake Rijksbelastingen, speciaal gelet op de omstandigheden waaronder de beschikking is uitgebracht, in relatie tot het strafrechtelijk onderzoek en de verlenging van de termijn, veroorzaakt door de beschikking, voor het van het doen van uitspraak op de bezwaren inzake de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014 opgelegd aan [eiseres] welke naheffingsaanslagen mede onderwerp zijn van de strafvervolging jegens [eiseres] ”
Kamerstukken II,2005/06, 30 645, nr. 3, pagina 1-3). Het is geen dwangmiddel (zie Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, hierna onder 13.). Daarnaast is ten aanzien van het opleggen van een informatiebeschikking vanwege een schending van de administratieverplichting geen enkel voorbehoud gemaakt (vergelijk HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2795, r.o. 2.4.2.). Het door eiseres gestelde onderscheid tussen het schenden van de inlichtingenplicht en administratieplicht kan de rechtbank dan ook niet volgen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de jurisprudentie die betrekking heeft op informatiebeschikkingen die zijn opgelegd vanwege het schenden van inlichtingenverplichtingen van overeenkomstige toepassing op informatiebeschikkingen die zijn opgelegd vanwege het schenden van een administratieplicht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 (HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895, r.o. 2.4.3.) volgt dat het voor verweerder is toegestaan in de bezwaarfase een informatiebeschikking te nemen. De stelling van eiseres dat verweerder vóór het opleggen van de naheffingsaanslagen een informatiebeschikking had moeten nemen, te meer nu de gebreken in de administratie niet kunnen worden hersteld slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.
Voor zover het gaat om de juridische vraag of de bewijsgaring in een strafzaak, gelet op de vaststaande feiten, onrechtmatig is geweest, is de belastingrechter evenmin gebonden aan het (onherroepelijke) oordeel van de strafrechter, ook niet indien de strafrechter daarbij van dezelfde feiten is uitgegaan. Wel komt in dit opzicht een bijzonder gezag toe aan het ten aanzien van de belanghebbende gegeven oordeel van de strafrechter, die bij uitstek geroepen is tot beantwoording van dit soort rechtsvragen. Indien de belastingrechter – uitgaande van dezelfde feiten - afwijkt van het oordeel van de strafrechter met betrekking tot de onrechtmatigheid van de bewijsgaring, dient hij in zijn uitspraak de redenen voor die afwijking te vermelden.
Het hiervoor in 2.6.1 tot en met 2.6.4 overwogene geldt zowel voor het bewijs met betrekking tot een belastingaanslag als voor het bewijs ten aanzien van een fiscale bestuurlijke boete.”
2.6. De beschikking waarbijde inspecteur op de voet van artikel 52a, lid 1, AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, lid 3, AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist."