Belanghebbende werd door de Belgische fiscale autoriteiten geïdentificeerd als mede-rekeninghouder van een buitenlandse bankrekening. De Nederlandse Belastingdienst verzocht hem om informatie over deze rekeningen, waarbij werd gewaarschuwd voor omkering van de bewijslast bij niet-nakoming. Na het opleggen van navorderingsaanslagen maakte belanghebbende bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure nam de inspecteur informatiebeschikkingen om alsnog gegevens te verkrijgen.
Het geschil betrof de rechtmatigheid van deze informatiebeschikkingen in de bezwaarfase. Het hof oordeelde dat de wetgeving, waaronder artikel 52a AWR, toestaat dat de inspecteur ook in de bezwaarfase dergelijke beschikkingen kan nemen, tenzij dit leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelde dat dit niet was toegestaan, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten.
De Hoge Raad bevestigde dat het niet nemen van een informatiebeschikking voorafgaand aan de aanslag niet betekent dat de inspecteur deze bevoegdheid in de bezwaarfase verliest. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het niet nemen van een informatiebeschikking voorafgaand aan de aanslag geen onrechtmatige schending van vertrouwen oplevert. De overige klachten werden eveneens afgewezen en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.