De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een bijna veertienjarige minderjarige, die sinds 2014 onder toezicht staat vanwege conflicten tussen haar ouders en vermoedelijk seksueel misbruik. De minderjarige verblijft in een zorginstelling voor jeugdigen met emotionele problematiek. De GI verzoekt tevens om gedeeltelijke uitoefening van het gezag voor medische toestemming, omdat de vader geen toestemming geeft voor een psychiatrische gezinsopname.
De kinderrechter constateert dat de ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige voortduurt en verlengt daarom de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voorlopig tot 20 juni 2019. Het verzoek om gedeeltelijke gezagsuitoefening wordt afgewezen omdat de minderjarige ouder dan twaalf jaar is en niet wilsonbekwaam wordt geacht om haar belangen te beoordelen. De GI kan op grond van artikel 1:265e lid 1 sub b BW geen vervangende toestemming krijgen.
Gezien het geschil tussen de ouders over de opname en de ouderschapsbeoordeling wordt afgesproken dat de ouders zich op grond van artikel 1:253a BW tot de rechtbank zullen wenden voor een beslissing. De kinderrechter houdt verdere beslissingen aan en verlengt de maatregelen voorlopig in afwachting van een nadere behandeling binnen enkele weken.