ECLI:NL:RBNNE:2019:1619
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. van den Bosch
- A. Heidekamp
- M. Pelinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekerings- en premieplicht Nederlandse volksverzekeringen en netto-loonafspraken in binnenvaartcasus
Eiser, een Nederlandse binnenvaartschipper werkzaam op het schip [schip], betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014 opgelegd door de Belastingdienst. Centraal stond de vraag of eiser verplicht verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen in de periode 1 januari tot en met 30 april 2014, mede aan de hand van A1-verklaringen afgegeven door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) en de Liechtensteinse autoriteiten.
De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad heeft bepaald dat de inspecteur en belastingrechter zich moeten richten naar de A1-verklaring van de Svb, ook als deze nog niet onherroepelijk is. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat eiser een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Daarom is eiser verplicht verzekerd voor de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving in de betreffende periode.
Verder oordeelt de rechtbank dat hoewel sprake is van netto-loonafspraken tussen eiser en zijn werkgevers, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw mocht aannemen dat Nederlandse loonheffing werd ingehouden en afgedragen. De loonstroken ondersteunen dit niet. Ook het beroep op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt afgewezen omdat Nederland geen verdrag heeft met Cyprus en Liechtenstein en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat loon daar werd belast.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag en belastingrente blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2014 blijft ongewijzigd.