De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingesteld op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, gericht op het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde uit hennepteelt. De vordering is gebaseerd op een rapport waarin het voordeel is berekend op basis van vier oogsten met een opbrengst van 28,2 gram hennep per plant.
Veroordeelde is veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 1 juni 2016 tot en met 9 november 2016. De rechtbank acht het aannemelijk dat de hennepkwekerij al langere tijd in gebruik was en dat er meerdere oogsten zijn geweest, mede gelet op financiële transacties en indicatoren van eerdere oogsten. De verdediging voerde aan dat de ontneming niet kan worden toegewezen voor perioden waarvoor geen veroordeling is uitgesproken en dat het bedrag nihil zou moeten zijn.
De rechtbank verwierp het verweer van misbruik van procesrecht en sloot zich aan bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van vier oogsten, rekening houdend met kosten en een reeds betaalde schikking. De redelijke termijn voor berechting is overschreden, waardoor het bedrag met €5.000 is verminderd. De rechtbank legt veroordeelde op het netto bedrag van €206.532,68 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.