ECLI:NL:RBNNE:2019:2027
Rechtbank Noord-Nederland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vermogensvaststelling en terugvordering bij erfdeel in bijstandsuitkering
Eiseres ontving een erfdeel na het overlijden van haar vader op 6 oktober 2016, maar de terugvordering van bijstand door verweerder liep door tot 29 november 2017 zonder nieuwe vermogensvaststelling. De rechtbank oordeelt dat de terugvordering vanaf 6 oktober 2016 gerechtvaardigd is, maar dat verweerder vanaf de 31ste dag na die datum, dus 6 november 2016, een nieuwe vermogensvaststelling had moeten doen waarbij rekening gehouden moest worden met de bestaande schuld van eiseres.
De rechtbank volgt het toetsingskader van de Centrale Raad van Beroep en stelt vast dat verweerder ten onrechte geen rekening hield met de schuld van eiseres bij de nieuwe vaststelling. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat zij geen schuld meer had.
Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De rechtbank herroept het primaire besluit en stelt de terugvordering vast op een lager bedrag van € 3.815,34. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt vastgesteld op een lager bedrag van € 3.815,34 en het bestreden besluit wordt vernietigd.