Uitspraak
17 6307 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving langdurig bijstand en kreeg een terugvordering opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vanwege een nalatenschap van zijn ouders die hij niet had doorgegeven. Het college vorderde aanvankelijk ruim €125.000 terug, later verlaagd tot circa €22.000 en uiteindelijk tot €15.998,64 door de rechtbank.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen beschikking had over de middelen omdat de erfenis deels in Suriname lag en dat hij schulden had die het vermogen zouden verminderen. De Raad oordeelde dat de aanspraak op de erfenis ontstond bij het overlijden van de moeder in 2003 en dat het bedrag dat via een derdenrekening aan een advocaat werd overgemaakt, wel degelijk als vermogen van appellant moet worden beschouwd.
De betwiste schulden werden niet erkend vanwege het ontbreken van objectief bewijs en de Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het vrij te laten vermogen in 2005 in aanmerking moest worden genomen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €15.998,64 aan bijstand over 2003-2005 ondanks betwiste schulden en afwikkeling van de nalatenschap.