Eiser, voormalig ambtenaar, vorderde verlenging van zijn wachtgelduitkering tot zijn gewijzigde AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar en één maand, in plaats van de oorspronkelijk overeengekomen leeftijd van 65 jaar. De uitkering was gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst uit 2005 en het BBWR, waarin toen de AOW-leeftijd 65 jaar was.
De rechtbank stelde vast dat partijen destijds geen rekening konden houden met latere wetswijzigingen die de AOW-leeftijd verhoogden. De vaststellingsovereenkomst sloot aan bij de toen geldende regels en bevatte geen aanwijzing voor een verlenging van de uitkering bij latere wetswijzigingen.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser, omdat de gewijzigde AOW-leeftijd en aangepaste BBWR-bepalingen geen bijzondere omstandigheden vormen die nakoming van de oorspronkelijke afspraken redelijkerwijs onmogelijk maken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.