ECLI:NL:CRVB:2016:1830

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2016
Publicatiedatum
19 mei 2016
Zaaknummer
15-2724 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitkering wegens verhoging AOW-leeftijd

Appellant, voormalig ambtenaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, sloot in 2011 een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over zijn ontslag en een uitkering tot 1 september 2020. Na de verhoging van de AOW-leeftijd ontstond een inkomensgat van 21 maanden, waarop appellant verzocht om herziening van de overeenkomst om de uitkering te verlengen.

De minister wees dit verzoek af, en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat partijen de uitkering na de overeengekomen einddatum wilden laten doorlopen bij een verhoging van de AOW-leeftijd.

De Raad benadrukte dat de overeenkomst duidelijk een uitkering voor bepaalde tijd bevatte en dat partijen finale kwijting hadden verleend, wat wijst op de bedoeling dat de regeling niet zou worden aangepast. Bovendien was appellant geacht op de hoogte te zijn van mogelijke verhogingen van de AOW-leeftijd en de gevolgen daarvan. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitkering vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd wordt afgewezen.

Uitspraak

15/2724 AW
Datum uitspraak: 19 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
11 maart 2015, 14/8247 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.P. Olthof hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Olthof. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. O.D.H. van Hecke, mr. C.E. Wieringa-van Rees en I.M. Turenhout.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [in] 1955, was werkzaam bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op 6 december 2011 hebben appellant en de minister (partijen) een vaststellingsovereenkomst (overeenkomst) gesloten.
1.2.
In artikel 2 van Pro de overeenkomst is onder meer bepaald dat de minister appellant op zijn verzoek ontslag verleent per 1 juli 2014. In artikel 9 van Pro de overeenkomst is onder meer bepaald dat appellant in aansluiting op zijn ontslag tot 1 september 2020 een uitkering zal worden toegekend op de voet van een WW-uitkering, respectievelijk een bovenwettelijke uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. Daarbij zal voor appellant geen sollicitatieplicht gelden. Bij een eventuele samenloop van de uitkering met een ABP-keuzepensioen zal geen anticumulatie plaatsvinden. In artikel 12 van Pro de overeenkomst is bepaald dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen en dat zij verklaren, behoudens de nakoming van deze overeenkomst, niets meer van elkaar te vorderen hebben. In artikel 13 van Pro de overeenkomst is bepaald dat partijen vόόr ondertekening van deze overeenkomst in de gelegenheid zijn gesteld om deze grondig door te lezen en zijn zij erop gewezen dat zij gelegenheid hadden deze te laten controleren door een deskundige, dan wel hun raadslieden en dat zij nadrukkelijk zijn geïnformeerd over de gevolgen van deze overeenkomst en zich bewust zijn van die gevolgen.
1.3.
Appellant heeft de minister bij brief van 11 november 2013 verzocht om herziening van de overeenkomst, omdat in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd een gat van
21 maanden in zijn inkomen ontstaat op het moment dat hij 65 jaar wordt. Bij besluit van
18 februari 2014 heeft de minister dit verzoek afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2014 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
In de overeenkomst hebben partijen afspraken neergelegd over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband van appellant. Dergelijke afspraken worden volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan de minister toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n regeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt, maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde, komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.2.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het de bedoeling van partijen was de uitkering genoemd in artikel 9 van Pro de overeenkomst door te laten lopen tot aan de leeftijd waarop hij AOW-gerechtigd is. De minister heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat uit de tekst van de overeenkomst blijkt dat het gaat om een uitkering voor bepaalde tijd en dat daar bewust voor is gekozen omdat dit duidelijkheid geeft over de financiële consequenties van de getroffen regeling.
3.3.
De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het, in weerwil van de in artikel 9 van Pro de overeenkomst genoemde einddatum van de uitkering, de bedoeling van partijen is geweest om de uitkering na de genoemde einddatum te laten doorlopen indien de AOW-gerechtigde leeftijd zou worden verhoogd. De enkele omstandigheid dat de datum van 1 september 2020 samenhangt met de AOW-leeftijd zoals die gold ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, waarop appellant heeft gewezen, is daarvoor onvoldoende. Uit geen enkel stuk blijkt dat de minister zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bereid heeft getoond om bij een eventuele verhoging van de AOW-leeftijd de financiële gevolgen daarvan te dragen door de uitkering na 1 september 2020 te laten doorlopen. Dat in artikel 12 van Pro de overeenkomst over en weer finale kwijting is verleend, wijst veeleer op het tegendeel. De stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van de plannen om de AOW-leeftijd te verhogen en de minister hem hierover had moeten informeren, treft geen doel. Appellant moet, gelet op artikel 13 van Pro de overeenkomst, geacht worden voldoende te zijn geïnformeerd en zich bewust te zijn geweest van de gevolgen van de overeenkomst. Hierbij komt dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van algemene bekendheid was dat met een verhoging van de AOW-leeftijd op termijn rekening diende te worden gehouden.
3.4.
Uit 3.1 en 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J.M. Heijs en
M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2016.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) A. Mansourova

HD