ECLI:NL:CRVB:2016:1830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitkering wegens verhoging AOW-leeftijd
Appellant, voormalig ambtenaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, sloot in 2011 een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over zijn ontslag en een uitkering tot 1 september 2020. Na de verhoging van de AOW-leeftijd ontstond een inkomensgat van 21 maanden, waarop appellant verzocht om herziening van de overeenkomst om de uitkering te verlengen.
De minister wees dit verzoek af, en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat partijen de uitkering na de overeengekomen einddatum wilden laten doorlopen bij een verhoging van de AOW-leeftijd.
De Raad benadrukte dat de overeenkomst duidelijk een uitkering voor bepaalde tijd bevatte en dat partijen finale kwijting hadden verleend, wat wijst op de bedoeling dat de regeling niet zou worden aangepast. Bovendien was appellant geacht op de hoogte te zijn van mogelijke verhogingen van de AOW-leeftijd en de gevolgen daarvan. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitkering vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd wordt afgewezen.