De zaak betreft een civiel geschil tussen voormalige samenwoners over investeringen in een woning en de demontage van een schuur. Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen in een woning die in 2013 door de vrouw werd gekocht van haar grootouders. De man had in de woning en op het perceel investeringen gedaan, waaronder het plaatsen van een schuur.
Na het einde van hun relatie ontstond onenigheid over de schuur en de vergoeding van door de man verrichte werkzaamheden. De man wilde de schuur demonteren op basis van een afspraak, maar de vrouw sommeerde hem te stoppen en de politie werd ingeschakeld. De rechtbank oordeelde dat de man geen toestemming had voor de demontage op dat moment en wees zijn schadevordering af.
Ten aanzien van de investeringen in de woning oordeelde de rechtbank dat alleen de werkzaamheden na de eigendomsoverdracht aan de vrouw in december 2013 tot een directe waardevermeerdering en dus tot een vergoeding kunnen leiden. De rechtbank benoemt een deskundige om de omvang van de waardevermeerdering en de kosten te beoordelen en houdt verdere beslissing aan.