ECLI:NL:RBNNE:2019:4047
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opzegging arbeidsovereenkomst en transitievergoeding bij arbeidsongeschikte werknemer vlak voor pensioen
De werknemer, sinds 2015 arbeidsongeschikt en met een IVA-uitkering, was sinds 2015 in dienst bij de werkgever en zou op 16 september 2019 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Partijen hadden afspraken gemaakt waardoor de werknemer nog 25 uren per maand werkte en een aanvullend salaris ontving, zodat het dienstverband niet slapend was.
De werknemer vorderde dat de werkgever de arbeidsovereenkomst zou opzeggen of een vaststellingsovereenkomst zou sluiten met toekenning van een transitievergoeding, omdat hij meende dat het dienstverband slapend werd gehouden en hij daardoor onterecht geen transitievergoeding kreeg. De kantonrechter oordeelde dat het dienstverband niet slapend was, mede door de gemaakte afspraken en de feitelijke invulling van het dienstverband.
Verder werd geoordeeld dat de compensatieregeling voor transitievergoeding bij langdurig arbeidsongeschikten niet van toepassing was, omdat de werkgever de werknemer actief betrokken hield. Ook het beroep op een arrest van de Hoge Raad over transitievergoeding bij ontslag vlak voor pensioen was niet relevant, omdat er geen sprake was van ontslag.
De kantonrechter wees de vorderingen af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten. De subsidiaire vordering tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst werd afgewezen vanwege het ontbreken van overeenstemming en de contractsvrijheid.
Uitkomst: De vorderingen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst en toekenning van transitievergoeding worden afgewezen.