Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Procesverloop
Motivering
ernstig rekeningmee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een in dat lid bedoelde delict zal begaan.
Rechtbank Noord-Nederland
De veroordeelde was bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en kreeg op 14 november 2016 voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) met een proeftijd van 609 dagen, die oorspronkelijk zou eindigen op 22 oktober 2018. Na eerdere gedeeltelijke herroeping en verlenging van de proeftijd door de rechtbank, vorderde de officier van justitie op 26 september 2019 een verdere verlenging van de proeftijd met twee jaar.
Tijdens de zitting van 17 oktober 2019 werden de officier van justitie, de veroordeelde, diens raadsman en een deskundige van Reclassering Nederland gehoord. De reclassering adviseerde verlenging van de proeftijd vanwege een hoog algemeen recidiverisico en gemiddeld risico op geweldsdelicten.
De verdediging betoogde dat verlenging in strijd is met het legaliteitsbeginsel omdat de wet na de veroordeling in ongunstige zin is gewijzigd en dat niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan. De rechtbank oordeelde dat toepassing van het gewijzigde artikel 15c, derde lid, Wetboek van Strafrecht, dat sinds 1 januari 2018 geldt, de kern van de opgelegde straf in ongunstige zin aanpast en niet voorzien kon worden door de veroordeelde bij oplegging van de straf. Daarom is verlenging van de proeftijd in dit geval in strijd met artikel 7 EVRM Pro en het legaliteitsbeginsel.
De rechtbank wees de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens strijd met het legaliteitsbeginsel en artikel 7 EVRM.