Uitspraak
VI-nummer: 99/000449-24
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De veroordeelde is in 2014 veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 852 dagen. De officier van justitie verzocht verlenging van deze proeftijd met een jaar vanwege een hoog recidiverisico en de noodzaak van een klinische opname en ambulante behandeling.
De reclassering adviseerde verlenging vanwege zorgen over het gedrag en psychische problematiek van de veroordeelde, die zich ophoudt in een gebruikersmilieu en een verhoogd risico op geweldsdelicten vertoont. De verdediging betoogde dat verlenging in strijd is met het legaliteitsbeginsel omdat dit niet voorzienbaar was bij oplegging van de straf.
De rechtbank oordeelde dat verlenging van de proeftijd niet valt onder strafexecutie maar een wijziging van de strafoplegging inhoudt die de veroordeelde zwaarder treft dan voorzien. Dit is in strijd met artikel 7 EVRM Pro. Daarom werd de vordering tot verlenging afgewezen. De rechtbank volgde hiermee een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens strijd met het legaliteitsbeginsel.