Uitspraak
derde-partijhebben aan het geding deelgenomen:
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een handhavingsverzoek tegen een afvalverbrandingsinstallatie die de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor zoutzuur overschrijdt. Verzoeksters stelden dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie en dat de last onder dwangsom onuitvoerbaar en punitief was. De rechtbank overweegt dat verweerder bevoegd was tot handhaving omdat de overtreding wettelijk is vastgesteld en dat er geen ontvankelijke vergunningaanvraag lag die concreet zicht op legalisatie bood.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de last onder dwangsom niet punitief is, maar gericht op herstel binnen een redelijke begunstigingstermijn tot 1 januari 2020. Verzoeksters konden niet aannemelijk maken dat de last onuitvoerbaar was, mede omdat de installatie technisch in staat is de emissie te beperken tot onder de norm. De begunstigingstermijn is niet onredelijk lang en sluit aan bij de noodzakelijke aanpassingen in de bedrijfsvoering.
Ten slotte wijst de rechtbank het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak bevestigt dat handhaving van milieuregels strikt kan plaatsvinden, ook bij complexe vergunningen en technische uitdagingen, zolang de overtreder redelijke mogelijkheden heeft om aan de normen te voldoen.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.