Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
De heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân, verweerder
de Minister voor rechtsbescherming, de Minister.
Rechtbank Noord-Nederland
Eiseres betwistte de waardebepaling van haar onroerende zaken door verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân, die de waarde had vastgesteld op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW). Eiseres stelde dat de koopprijs gelijk was aan de bedrijfs- dan wel benuttingswaarde en daarmee de waarde in het economische verkeer (WEV), maar onderbouwde dit niet. De rechtbank oordeelde dat de GVW, die hoger was dan de door eiseres bepleite waarde, leidend is volgens artikel 17 van Pro de Wet WOZ.
De rechtbank nam aan dat verweerder de bewijslast had om aan te tonen dat de waardebepaling niet te hoog was vastgesteld en dat verweerder daarin was geslaagd. Eiseres had onvoldoende bewijs geleverd om haar stelling te onderbouwen. Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijn voor uitspraak was met 21 maanden overschreden, wat leidde tot een forfaitaire vergoeding van € 2.000, waarvan een deel werd toegerekend aan verweerder en een deel aan de rechtbank (Minister).
De rechtbank veroordeelde verweerder en de Minister tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten aan eiseres, waarbij de vergoeding van griffierechten en rechtsbijstandskosten werd verdeeld. De beroepen werden inhoudelijk ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de waardebepaling op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde en kent immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.