De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI) om de locatie van een eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing te wijzigen. De machtiging was gegeven voor pleegzorg voor twee minderjarigen, maar vanwege veranderde omstandigheden, waaronder onveilig gedrag van een van de kinderen, wenste de GI plaatsing in een gezinshuis.
De kinderrechter overwoog dat sinds 1 januari 2015 de wet geen categorieën uithuisplaatsing meer kent en een machtiging op grond van art. 1:265b lid 1 BW een algemeen karakter heeft. De Jeugdwet geeft de voorkeur aan plaatsing in een gezinsomgeving zoals een pleeggezin of gezinshuis, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van het kind.
In deze zaak was geen aanwijzing dat de oorspronkelijke machtiging beperkt was tot een specifiek type voorziening. De GI kon daarom ook zonder nadere machtiging de kinderen in een gezinshuis plaatsen. Omdat dit in het belang van de minderjarigen was, werd het verzoek om de machtiging te beperken afgewezen.
De beschikking werd door kinderrechter B.R. Tromp uitgesproken en is openbaar. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.