Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder
de Minister voor Rechtsbescherming(de Minister).
Procesverloop
Overwegingen
Gemachtigde van belanghebbende is uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 11 juni 2019 plaatsgevonden
Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het bezwaar terecht ontvankelijk is geacht.
Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
Ingevolge artikel 6:9 van Pro de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De aanslag is opgelegd met dagtekening 20 juli 2016. Dat betekent dat de bezwaartermijn op 31 augustus 2016 is geëindigd. De datum van ontvangst door verweerder is 1 september 2016. Uit de stukken blijkt dat de verzending per post tijdig heeft plaatsgevonden (de dagtekening van het bezwaarschrift is 17 augustus 2016), hetgeen ter zitting door partijen is bevestigd. Omdat het bezwaarschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, is het bezwaar terecht ontvankelijk geacht.
De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRVB) in zijn uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:852) de uitspraak op bezwaar van 20 maart 2018 inzake de A1-verklaring die de Svb aan eiser heeft afgegeven, heeft vernietigd. De CRVB heeft daarbij bepaald dat de Svb, met inachtneming van de uitspraak van 28 februari 2019, een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar waarop is beslist bij het vernietigde besluit. In de op 28 februari 2019 vernietigde uitspraak op bezwaar van 20 maart 2018 had de Svb beslist dat ten aanzien van eiser in de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2014 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepasselijk was. Tegelijk met die beslissing had de Svb een (nieuwe) A1-verklaring met die strekking aan eiser afgegeven.
In het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725) is het volgende overwogen:
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het hiervoor onder 8 en 9 overwogene, grond bestaat om de verdere behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank wijst in het bijzonder op rechtsoverwegingen 4.2.5.2, 4.3.2.2, 4.3.2.3 en 4.3.2.4 van de uitspraak van de CRVB van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:852), die - voor zover relevant - als volgt luiden:
Ter zitting is met partijen vastgesteld dat in de onderhavige zaak - die gaat over de premieheffing - als feitelijk uitgangspunt heeft te gelden, dat eiser gedurende de in geschil zijnde periode in 2014 minder dan 20 %, namelijk 18,12 %, in zijn woonstaat Nederland heeft gewerkt. Uit de onder 10 geciteerde rechtsoverwegingen van de CRVB leidt de rechtbank vervolgens af, dat het goed mogelijk is dat de A1-verklaring niet (ongewijzigd) in stand zal blijven. Daarom houdt de rechtbank de verdere behandeling van de zaak aan en draagt zij partijen op om de rechtbank het nieuwe besluit op bezwaar van de Svb te verstrekken, zo spoedig mogelijk nadat de Svb dit besluit heeft genomen. Daarnaast dienen partijen de rechtbank te informeren of, en zo ja, welke verdere stappen genomen zullen worden ten aanzien van het nieuwe besluit op bezwaar van de Svb. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of voldoende informatie voorhanden is om zonder nadere zitting uitspraak te doen.