Uitspraak
De door mr. Weermeijer meegebrachte [naam zuster] (zuster van de in de bijlage achter nummer 5 en 6 vermelde [naam 1] ) en [naam 2] (eigenaar van het motortankschip [motortankschip] , echtgenoot van de in de bijlage achter nummer 81 en 82 vermelde [naam 3] en vader van de in de bijlage achter nummer 53 en 54 vermelde [naam 4] ) zijn op 2 juni 2017 als getuigen gehoord.
OVERWEGINGEN
“Aan: Alle werknemers van [naam Ltd.]
Via deze weg wil ik u allen bekend maken met het feit dat wij op 1 mei 2014 gaan stoppen met ons kantoor in Cyprus .
Wij zijn warm onthaald om Cyprus binnen te komen en daar een bedrijf op te richten. Volgens de instanties daar was het geen enkel probleem om de A1 en de E106 formulieren af te geven.
Helaas is het tot op de dag van vandaag nog niet mogelijk geweest ondanks de vele gesprekken daar gevoerd door [naam 1] .
Om problemen in de toekomst te voorkomen kunnen wij niet blijven afwachten en kunnen wij als laatste optie jullie in LIECHTENSTEIN onderbrengen. Liechtenstein is ongeveer te vergelijken met Luxemburg. Het vakantiegeld en de extra pensioen aanvulling komen te vervallen.
[naam 5] zal deze weken de schepen bezoeken en een kort gesprekje met jullie houden en zal proberen al jullie vragen te beantwoorden.
Indien er dringende vragen zijn is [naam 6] ook bereikbaar.”
1.6. Hierop heeft appellant bij besluiten van 24 juni 2014 onder verwijzing naar Vo 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009) vastgesteld dat de in de bijlage bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen verplicht verzekerd zijn voor de Nederlandse werknemers- en volksverzekeringen over de periodes waarin zij als Rijnvarenden in twee of meer lidstaten van de EU hebben gewerkt voor [naam Ltd.] . Daartoe is overwogen dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat de in de bijlage bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden hebben verricht in Nederland. Bij de besluiten van 24 juni 2014 heeft appellant (niet als voorlopig gekwalificeerde) A1-verklaringen gevoegd waarin is vermeld dat op elk van de in de bijlage bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen ingevolge
- dat appellant bij de bestreden besluiten ten onrechte besluiten heeft gehandhaafd waarbij
Op basis van in hoofdzaak het voorgaande heeft de rechtbank de beroepen van [naam Ltd.] en betrokkenen onder verwijzing naar de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en appellant opgedragen om binnen twaalf weken na 30 maart 2016 nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. Verder heeft de rechtbank proceskostenveroordelingen uitgesproken en bepaald dat appellant het namens [naam Ltd.] en betrokkenen betaalde griffierecht moet vergoeden. Op de namens [naam Ltd.] en betrokkenen ingediende verzoeken om schadevergoeding is afwijzend beslist.
eenzijdig definitiefvast te stellen op basis van een vermoeden.
Voorlopige vaststellingenals bedoeld in artikel 16 van Pro
- de plaats waar de onderneming haar statutaire zetel en bestuur heeft;
- het aantal maanden/jaren dat de onderneming in de lidstaat is gevestigd;
- het aantal administratieve medewerkers dat in het betreffende kantoor
- de plaats waar het merendeel van de contracten van de onderneming met haar klanten wordt gesloten;
- het kantoor dat het ondernemingsbeleid en operationele zaken bepaalt;
- de plaats waar de belangrijkste financiële taken, met inbegrip van bankieren, worden uitgevoerd;
- de plaats die op grond van EU-verordeningen is aangewezen als de plaats die verantwoordelijk is voor het beheer en het bijhouden van de administratie in verband met wettelijke voorschriften van de betreffende sector waar de onderneming in actief is;
- de plaats waar de werknemers worden aangeworven.
In hoger beroep is in de zaken waarin [naam Ltd.] en betrokkenen in het gelijk worden gesteld nagenoeg gelijktijdig en op vergelijkbare gronden rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon. Deze zaken worden daarom aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb, zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. In deze zaak wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep vastgesteld op € 3.898,13. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van incidenteel hoger beroep/verweerschriften, 0,5 punt voor repliek/dupliek, 0,5 punt voor het schriftelijk verstrekken van inlichtingen, 1 punt voor het op 2 juni 2017 verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het op 6 oktober 2017 verschijnen ter zitting. In totaal dus 3,5 punten, vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken (meer dan 4) en met nogmaals factor 1,5 voor het gewicht van de zaak (zwaar).
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraken, met dien verstande dat appellant wordt opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na heden nieuwe besluiten te nemen op de namens [naam Ltd.] en betrokkenen tegen de besluiten van 24 juni 2014 ingediende bezwaren;
- verklaart de beroepen tegen het – beweerdelijk – niet tijdig nemen van besluiten ter uitvoering van de aangevallen uitspraken ongegrond;
- bepaalt dat beroepen tegen de door appellant te nemen nieuwe besluiten op de tegen de besluiten van 24 juni 2014 ingediende bezwaren, alsmede tegen alle nadere voorlopige vaststellingen van de op de in de bijlage bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen toepasselijke wetgeving over de periodes in geding, alleen bij de Raad kunnen worden ingesteld;
- treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat de toezegging zoals verwoord onder punt 7.1 ook na de dagtekening van deze uitspraak gestand moet worden gedaan, en bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar;
- wijst af de verzoeken om appellant te veroordelen tot schadevergoedingen, die in deze gedingen zijn gedaan na de aangevallen uitspraken en voorafgaande aan deze uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van [naam Ltd.] en betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 3.898,13.
RB
(m.b.t. [naam 8] )
(m.b.t. [naam 8] te [woonplaats 1] )
(m.b.t. [naam 8] te [woonplaats 1] )
(m.b.t. [naam 1] te [woonplaats 2] )
(m.b.t. [naam 1] te [woonplaats 2] )
(m.b.t. [naam 9]
(m.b.t. [naam 9]
(m.b.t. [naam 9] )
(m.b.t. [naam 10] )
(m.b.t. [naam 10] )
(m.b.t. [naam 10] )
(m.b.t. [naam 11] )
(m.b.t. [naam 11] )
(m.b.t. [naam 113] )