Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder
de Minister voor Rechtsbescherming(de Minister).
Procesverloop
Overwegingen
Gemachtigde van belanghebbende is uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 11 juni 2019 plaatsgevonden
De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRVB) in zijn uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:852) de uitspraak op bezwaar van 20 maart 2018 inzake de A1-verklaring die de Sociale verzekeringsbank (Svb) aan eiser heeft afgegeven, heeft vernietigd. De CRVB heeft daarbij bepaald dat de Svb, met inachtneming van de uitspraak van 28 februari 2019, een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar waarop is beslist bij het vernietigde besluit. In de op 28 februari 2019 vernietigde uitspraak op bezwaar van 20 maart 2018 had de Svb beslist dat ten aanzien van eiser in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2014 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepasselijk was. Tegelijk met die beslissing had de Svb een (nieuwe) A1-verklaring met die strekking aan eiser afgegeven.
In het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725) is het volgende overwogen:
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het hiervoor onder 3 en 4 overwogene, grond bestaat om de verdere behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank wijst in het bijzonder op rechtsoverwegingen 4.2.5.2, 4.3.2.2, 4.3.2.3 en 4.3.2.4 van de uitspraak van de CRVB van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:852), die - voor zover relevant - als volgt luiden:
Ter zitting is met partijen vastgesteld dat in de onderhavige zaak - die gaat over de premieheffing - als feitelijk uitgangspunt heeft te gelden, dat eiser in 2013 minder dan 20 %, namelijk 19,95 %, in zijn woonstaat Nederland heeft gewerkt. Uit de onder 5 geciteerde rechtsoverwegingen van de CRVB leidt de rechtbank vervolgens af, dat het goed mogelijk is dat de A1-verklaring niet (ongewijzigd) in stand zal blijven. Daarom houdt de rechtbank de verdere behandeling van de zaak aan en draagt zij partijen op om de rechtbank het nieuwe besluit op bezwaar van de Svb te verstrekken, zo spoedig mogelijk nadat de Svb dit besluit heeft genomen. Daarnaast dienen partijen de rechtbank te informeren of, en zo ja, welke verdere stappen genomen zullen worden ten aanzien van het nieuwe besluit op bezwaar van de Svb. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of voldoende informatie voorhanden is om zonder nadere zitting uitspraak te doen.
De rechtbank deelt partijen hierbij alvast mee, dat zij de tijd die gemoeid is met de aanhouding van de (verdere) behandeling van de zaak totdat de A1-verklaring onherroepelijk is komen vast te staan, buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling of en in hoeverre sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak (zie Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, r.o. 5.5.4).”
Stcrt. 2014, 20210).