Uitspraak
1.De procedure
2.De beoordeling
- dat te beoordelen staat of voor de resterende duur van de verzochte periode de machtiging tot uithuisplaatsing in de zin van art. 1:265b lid 4 BW moet worden gegeven;
- dat de GI zich niet heeft gehouden aan de tussenbeschikking en niet de personen heeft voorgebracht die de kinderrechter wilde spreken over de wijze waarop een eerdere brief van de GI tot stand is gekomen, de ondertekening van de brief en de juistheid van de daarin aan de kinderrechter gegeven informatie;
- dat dit klemt omdat het plan van aanpak zoals dat op 7 februari 2019 is ontvangen, goeddeels overeenstemt met de eerdere brief waarvan vaststaat dat die brief niet is opgesteld en is ondertekend door de personen die onder die brief staan vermeld en de brief hebben ondertekend;
- dat het plan van aanpak bovendien gebrekkig is en onvoldoende zicht geeft op de termijn waarbinnen [minderjarige] geplaatst kan worden in een voor haar passende voorziening;
- dat de GI ter zitting met zoveel woorden zelf ter zitting heeft gesteld dat [minderjarige] niet thuishoort in een gesloten instelling;
- dat boven alles het verzoek tot verlenging afstuit op het ontbreken van de toetsing door een gedragswetenschapper of de geslotenheid inderdaad noodzakelijk is, zoals art. art. 6.1.2 lid 6 van de Jeugdwet dwingend voorschrijft;
- dat voor zover alle andere, ernstige, verzuimen van de GI zich al niet tegen toewijzing van het verzoek tot verlenging verzetten, dat verzoek hoe dan ook afstuit op het ontbreken van vorenbedoelde instemmende verklaring van een gedragswetenschapper;
- dat gelet op de ingrijpendheid van de verzochte maatregel er aanleiding bestaat om direct mondeling uitspraak te doen en dat die uitspraak met zich brengt dat de voorlopige verlening, gegeven in de tussenbeschikking van 21 december 2018, niet meer geldt en daarvoor in de plaats treedt deze definitieve uitspraak waarin het verzoek van de GI wordt afgewezen.