Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Emmen stelde bij besluit van 23 januari 2014 het overschrijdingsbedrag voor het openbaar onderwijs over 2001-2005 op nihil. Primenius stelde administratief beroep in, waarna het college het overschrijdingsbedrag bij besluiten van 3 juli 2015 en 18 juni 2018 herzag. Primenius en het college stelden beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelt dat het besluit van 23 januari 2014 een besluit in de zin van de Wpo is en dat Primenius ontvankelijk is in haar beroep.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 18 juni 2018 het besluit van 3 juli 2015 vervangt en dat de beroepen tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk zijn wegens gebrek aan belang. De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke geschilpunten, waaronder de stand van reserves, materiële voorzieningen, personele uitgaven, nascholing, kosten GMR, brandschade, uitgaven zelfbeheer en onttrekkingen aan reserves. De rechtbank concludeert dat verweerder diverse uitgaven ten onrechte niet of onjuist heeft meegenomen en corrigeert het overschrijdingsbedrag en -percentage.
De rechtbank verklaart het beroep van Primenius gegrond en dat van het college ongegrond, vernietigt het bestreden besluit, stelt het overschrijdingsbedrag vast op €1.058.972,82 en het percentage op 1,25%. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van Primenius.