Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 mei 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- De heffing bedraagt circa vier maal het werkelijk behaalde rendement. Om de heffing te betalen moet circa 75% betaald worden uit het vermogen.
- Van eiseres haar inkomen in 2017 blijft na aftrek van haar vaste lasten (huur, nutsvoorzieningen, zorgkosten, verzekeringen, lokale belastingen) circa € 11.268 over. Hiervan moet nog eten, kleding, internet, krantenabonnement, etc. betaald worden. De heffing van € 1.812 bedraagt circa 16% van dit bedrag.
- Door de omvang van haar vermogen komt eiseres niet in aanmerking voor zorg- en huurtoeslag.
- Mensen met eenzelfde inkomen en eenzelfde vermogen, maar dan in de vorm van een eigen woning, worden niet geconfronteerd met een heffing over hun vermogen. Zij hoeven ook geen huur te betalen, en kunnen wel zorgtoeslag ontvangen.
- Het voorgaande leidt ertoe dat eiseres ten opzichte van mensen met eenzelfde inkomen en vermogen, maar die hun vermogen in een eigen woning hebben zitten, veel minder vrij te besteden heeft.
- Gelet op haar leeftijd en de waarden waarmee eiseres is opgevoed, is beleggen, als alternatief voor sparen, geen mogelijkheid.
- Gelet op haar leeftijd is de aanschaf van een eigen woning ook geen mogelijkheid meer. Verhuizen is geen reële optie. Bovendien is er niet genoeg vermogen om een huis aan te schaffen, en zou een bank geen hypotheek verstrekken.
3.2. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP Pro en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven, terwijl een inbreuk slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding ("fair balance") tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl. o.a. HR 3 april 2009, nr. 42467, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, BNB 2009/268, r.o. 3.8.1). Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65 en HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115). Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.”
2.4.4 (…)