ECLI:NL:RBNNE:2020:2536

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
18/920166-18 Ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak verdachte

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 14 juli 2020 een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €692.285,00, voortvloeiend uit een hennepkwekerijzaak. Deze ontnemingsvordering werd gelijktijdig behandeld met de onderliggende strafzaak.

Tijdens de zitting op 30 juni 2020 waren zowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte aanwezig. De rechtbank heeft verdachte in de strafzaak vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd.

Gezien deze vrijspraak oordeelde de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering, conform jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank verklaarde daarom de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/920166-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],
verblijvende te [straatnaam], [woonplaats]
hierna te noemen: verdachte.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 5 november 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 692.285,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/920166-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder met name de inhoud van het rapport "berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij" d.d. 9 augustus 2018 (opgenomen op pagina 266 e.v. van het dossier van politie Noord-Nederland met proces-verbaalnummer PL0100-2018220997 met sluitingsdatum 27 augustus 2018).
De (inhoudelijke) behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de (inhoudelijke) behandeling van de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/920166-18, ter terechtzitting van 30 juni 2020, waarbij de officier van justitie mr. H.J. Mous, en de raadsvrouw van veroordeelde, mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Tilburg, aanwezig waren.

Beoordeling

De rechtbank heeft verdachte in de onderliggende strafzaak bij vonnis van heden, 14 juli 2020, vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd, derhalve van het feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend.
Gelet op deze vrijspraak is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG4258).

Beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M. van den Steenhoven, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2020.