Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 juli 2020 in de zaken tussen
Gemeente Oldambt, eiseres
Procesverloop
Overwegingen
€ 672.606
€ 193.464
€ 202.698
€ 211.239
Afronding openstaande zaken BTW-compensatiefonds 2014, resulterend in een terug te vorderen bedrag (naheffing) door de Belastingdienst
Herziening brandweerkazernes [plaats 4] , [plaats 3] , [plaats 2] en [plaats 1]
U hebt opgaaf gedaan van de compensabele btw over het jaar 2016. Ik wijk af van uw opgaaf. Hierna motiveer ik waarom ik afwijk van uw opgaaf.
Motivering
3.4.4. Dit laatste heeft zich voorgedaan met betrekking tot de percelen 001-003. Ter zake van de levering aan belanghebbende van deze percelen is omzetbelasting in rekening gebracht, die door belanghebbende - die ervan uitging en ervan uit mocht gaan dat de percelen voor niet van omzetbelasting vrijgestelde prestaties gebruikt zouden gaan worden - in aftrek is gebracht. Het daarna vrijgesteld van omzetbelasting leveren ervan aan BBL moet worden aangemerkt als 'bezigen' in de zin van het hiervoor vermelde artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet, zodat belanghebbende deze in aftrek gebrachte omzetbelasting op het tijdstip van de levering is verschuldigd geworden. Dat tussentijds bewerkingen aan de percelen hebben plaatsgevonden doet daaraan - anders dan naar in het tweede middel mede ligt besloten - niet af: het enkele verrichten of doen verrichten van werkzaamheden aan een bedrijfsmiddel met het oog op de bestemming van het bedrijfsmiddel, houdt niet in het bezigen ervan in de zin van artikel 15, lid 4, van de Wet en ook niet de ingebruikname in de zin van artikel 20, lid 2, van de Zesde richtlijn; in dit geval is slechts sprake van gereed maken voor het beoogde gebruik (vgl. HR 10 oktober 2008, nr. 41570, LJN BF7176, BNB 2009/26).
In het arrest van 4 december 2009 heeft de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 15 van Pro de Wet geoordeeld dat de ondernemer die goederen of diensten betrekt om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden, deze onmiddellijk in het kader van zijn onderneming gebruikt, ook in een periode dat het bedrijfsmiddel tijdelijk geen opbrengsten levert. Voor een correctie op de voet van artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet is dan geen plaats. Dit is anders voor goederen of diensten die de ondernemer betrekt om wijzigingen aan bedrijfsmiddelen aan te brengen teneinde deze gereed te maken voor het beoogde gebruik. Van deze goederen en diensten moet worden aangenomen dat zij niet worden gebruikt in de zin van artikel 15, lid 4, van de Wet. Vergelijk voor dit een en ander de rechtsoverwegingen 3.4.4 en 3.4.6 van het arrest van 4 december 2009.
met betrekking totde brandweerkazernes (onroerende zaken). De Hoge Raad heeft een autonome uitleg van de herzieningsregels gegeven, waarbij de omstandigheid of er wel of geen voorafgaande (integratie)levering geweest is, niet relevant is.
gaatin deze zaken ook om de herziening ter zake van (onroerende) goederen. In artikel 13 staat Pro niet hoe de
grondslagten aanzien van die goederen wordt bepaald.
uitvoering. Reeds om die reden kan eiseres aan een standpunt dat de staatssecretaris heeft ingenomen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2019, geen vertrouwen ontlenen in deze procedure.