ECLI:NL:RBNNE:2020:4819

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2020
Publicatiedatum
15 januari 2021
Zaaknummer
C18/201559 PR RK 20-309
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechtbank en rechter kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken concrete feiten en misbruik van recht

Verzoekster diende een verzoek tot wraking in tegen de rechtbank en een rechter, verwijzend naar een eerdere procedure waarin zij partij was. De rechtbank beoordeelde dat het verzoek niet voldeed aan de vereisten van artikel 36 en Pro 37 Rv, omdat het geen concrete feiten of omstandigheden bevatte die de onpartijdigheid van de rechter zouden kunnen schaden. Tevens werd opgemerkt dat de vermeende weigering tot schorsing van de zitting geen grond voor wraking vormt.

De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak dat wraking niet mag worden gebruikt als verkapt middel tegen onwelgevallige procesbeslissingen. Omdat het verzoek niet aan de minimale vereisten voldeed, werd het kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder mondelinge behandeling.

Verder stelde de rechtbank vast dat een eerder wrakingsverzoek van verzoekster in dezelfde hoofdzaak eveneens kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard. Gezien het tweede kennelijk niet-ontvankelijke verzoek oordeelde de rechtbank dat sprake is van misbruik van recht en bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en een volgend verzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C18/201559 PR RK 20-309

beslissing van de meervoudige kamer van 29 oktober 2020

op het verzoek van

[naam] , verzoekster

tot wraking.

Procesverloop

Bij e-mailbericht van 8 oktober 2020 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van de rechtbank en een rechter. Verzoekster heeft verwezen naar de procedure C17/167770 / HA ZA 19/133, waarin zij partij is.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Ingevolge het tweede lid geschiedt het verzoek schriftelijk en is het gemotiveerd. Tijdens de rechtszitting kan het ook mondeling geschieden.
Ingevolge het derde lid moeten tegelijk alle feiten en omstandigheden worden voorgedragen.
Ingevolge artikel 39, vierde lid, kan de meervoudige kamer in geval van misbruik bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
2. Het verzoek tot wraking luidt als volgt: ‘Bij deze dus wraking rechtbank en rechter. De bandopname van de zitting geeft aan wat er gedurende de 2 uur durende slopende zitting heeft plaatsgevonden en dat ik een schorsing wenste om medische redenen’.
3.1.
De rechtbank overweegt dat verzoekster niet vermeldt welke rechter zij wenst te wraken, dat zij niet vermeldt over welke zitting het gaat, dat zij geen concrete feiten en omstandigheden vermeldt en dat zij niet toelicht waarom (ook) de gehele rechtbank wordt gewraakt.
3.2.
Dit betekent dat het wrakingsverzoek niet voldoet aan de voorwaarde van het voordragen van de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de door verzoekster (kennelijk) gestelde weigering om de zitting te schorsen, geen grond voor wraking kan zijn.
Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6001, dient het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel te zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, beslissingen te nemen over (onder meer) de procedurele aspecten. Dit kunnen voor partijen nadelige beslissingen zijn. Dergelijke processuele beslissingen kunnen eventueel door het instellen van een rechtsmiddel ter toetsing worden voorgelegd.
3.3.
Het wrakingsverzoek voldoet daarmee niet aan de minimale vereisten die aan een dergelijk verzoek zijn te stellen. Het wrakingsverzoek zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard en een mondelinge behandeling van dat verzoek kan daarom achterwege blijven.
4. De rechtbank stelt voorts vast de meervoudige wrakingskamer bij beslissing van 11 september 2020 een ander wrakingsverzoek van verzoekster in het kader van dezelfde hoofdzaak eveneens kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook in die wrakingsprocedure stelde de rechtbank vast dat verzoekster haar verzoek niet met concrete feiten en omstandigheden had onderbouwd.
Omdat er nu sprake is van een tweede verzoek dat kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht in de zin van artikel 39, vierde lid, van het Rv. De rechtbank bepaalt daarom dat een volgend verzoek tot wraking van de zijde van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met zaaknummer C17/167770 / HA ZA 19/133) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekster tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
  • beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aan de wederpartij in de hoofdzaak.
Aldus gegeven door mrs. M. Sanna, voorzitter, T.M.L Veen en L. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Hulst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2020.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.