Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
€ 720,00
5.De beslissing
28 februari 2020;
Rechtbank Noord-Nederland
De werknemer is sinds 2010 arbeidsongeschikt en heeft sindsdien geen arbeid meer verricht, waardoor sprake is van een slapend dienstverband. Na diverse re-integratiepogingen en onderzoeken is vastgesteld dat herplaatsing niet mogelijk is. De werkgever heeft geen redelijk belang bij voortzetting van het dienstverband en verzet zich niet tegen ontbinding.
De werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding of billijke vergoeding. De werkgever betwist ernstig verwijtbaar handelen en stelt geen vergoeding verschuldigd te zijn. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, maar dat de werkgever op grond van goed werkgeverschap verplicht is mee te werken aan beëindiging met vergoeding.
De vergoeding wordt vastgesteld op het bedrag van de transitievergoeding die de werkgever verschuldigd zou zijn geweest bij beëindiging na het rapport van het arbeidskundig onderzoek. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2020, tenzij de werknemer het verzoek intrekt. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2020 met een vergoeding van € 51.599 bruto op grond van artikel 7:611 BW.