ECLI:NL:RBNNE:2021:1094

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
1 april 2021
Zaaknummer
18/830336-17 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken aannemelijk wederrechtelijk voordeel bij medeplegen hennepteelt

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in een woning te Groningen. De vordering werd aanvankelijk gesteld op €33.436,06 en later verlaagd tot €8.359,02.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft behaald uit de opbrengst van de hennepkwekerij. De hennepteelt maakte deel uit van een grotere organisatie waarbij meerdere verdachten betrokken waren, en veroordeelde had een uitvoerende rol zonder concrete aanwijzingen dat hij de opbrengst persoonlijk heeft verkregen.

Gezien het ontbreken van specifieke aanwijzingen en het feit dat het politieonderzoek zich niet richtte op het vaststellen van het individuele voordeel, kon de rechtbank geen schatting maken van het voordeel van veroordeelde. Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830336-17
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 30 maart 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

hierna te noemen: veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 3 juli 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 33.436,06 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830336-17 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 2 maart 2021. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot € 8.359,02.

Beoordeling

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er slechts één oogst aannemelijk kan worden gemaakt en dat deze oogst, gelet op de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en de bijlage bij de ontnemingsvordering, netto
€ 32.408,30 heeft opgeleverd. Deze opbrengst dient pondspondsgewijs te worden verdeeld onder veroordeelde, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], nu concrete aanwijzingen voor een andere verdeling van de opbrengst ontbreken.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu veroordeelde geen voordeel heeft verkregen uit de opbrengst van de hennepkwekerij.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 maart 2021 in de zaak met parketnummer 18/830336-17 veroordeeld wegens medeplegen van het telen van hennep in de woning aan de [straatnaam] te Groningen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door haar gepleegde strafbare feit.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de schatting van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
Uit het dossier blijken sterke aanwijzingen dat de hennepkwekerij aan de [straatnaam] onderdeel is geweest van een grotere organisatie die zich bezighield met grootschalige hennepteelt, waar ook anderen dan veroordeelde deel van uitmaakten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde - die in een uitvoerende rol in de hennepkwekerij heeft gehandeld - de opbrengst van de oogst daadwerkelijk als voordeel heeft verkregen. In het dossier bevinden zich geen andere aanknopingspunten op basis waarvan een schatting kan worden gemaakt van het voordeel dat veroordeelde wel zou hebben verkregen, nu het onderzoek van de politie zich daar niet op heeft toegespitst.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. J. van Bruggen en
mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2021.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.