Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 09-06-2015 heeft u mij gebeld dat de verkoop van [naam snackbar] toch moest doorgaan, ik heb opnieuw een afspraak met [kopers] gemaakt en een afspraak gemaakt, we zijn toen
Beste [eiser] en [echtgenote] .
Graag wil ik nog aan u aangeven dat wij ons bedrijf [naam snackbar] te [plaats A] per 1 januari 2015 hadden verkocht wegens chronische gezondheidsproblemen.
voornemenom een nieuwe onderneming te beginnen, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te zeggen dat er op het moment van verkoop op 30 december 2015 nog een onderneming werd gedreven. Dat eiser de loods nog wel een tijd als ondernemingsvermogen mag aanmerken in afwachting van ander gebruik of in afwachting van verkoop, maakt dat niet anders. Voor de vraag of er gestaakt is, gaat het erom of er nog echt iets gebeurt in de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn onderneming dan ook op 30 december 2015 gestaakt.
Bij het vaststellen van deze definitieve aanslag is de Belastingdienst afgeweken van uw aangifte over 2016.” Verweerder voert aan dat de aangifte geautomatiseerd is afgedaan. Verweerder stelt daarnaast dat eiser geen vertrouwen aan de aanslag IB/PVV 2016 mocht ontlenen omdat verweerders standpunt over de staking op dat moment al voldoende duidelijk was. Dit omdat verweerder op dat moment al uitspraak op eisers bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2015 had gedaan.
behandelreden administratief”en “
afdoeningswijze administratief.”Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het wel mogelijk is dat er een automatische herberekening van de heffingskortingen heeft plaatsgevonden, waardoor het systeem is afgeweken van de aangifte. Eiser heeft niet verklaard dat het door hem gestelde afwijken van de aangifte IB/PVV 2016 expliciet zag op de HIR of de (staking van de) onderneming en dit is ook niet gebleken. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het enkel volgen van de aangifte in een later jaar geen bewuste standpuntbehandeling oplevert voor een voorgaand jaar, als het bezwaar tegen dat voorgaande jaar al is afgehandeld vóór het opleggen van de aanslag in het latere jaar. [3]
ultimo 2015. De rechtbank kan geen oordeel geven over latere jaren, omdat die geen onderdeel vormen van dit geschil. Dat eiser achteraf bezien de tijd heeft genomen om aan zijn gezondheid te werken, waardoor het op 30 december 2015 nog bestaande voornemen wellicht tijdelijk is geparkeerd, is dus niet van belang voor de aanslag over 2015. Ook over het al dan niet bestaan van een eventueel verzoek om verlenging van de termijn van 12 maanden kan de rechtbank geen oordeel geven, omdat daarover niet bij voor bezwaar vatbare beschikking door verweerder is beslist. De rechtbank merkt wel op dat het logisch zou zijn om naar aanleiding van deze uitspraak te overwegen om dat alsnog te doen. In wezen is de regeling van artikel 3.64 van de Wet IB immers bedoeld om bij staking het deel van de stakingswinst waarvoor anders een HIR zou kunnen worden gevormd, te kunnen doorschuiven naar een nieuwe onderneming. Partijen kunnen, zoals ook in dit geval, van mening verschillen over de vraag of er gestaakt is. Het zou naar het oordeel van de rechtbank haaks staan op de bedoeling van de wetgever dat een belastingplichtige, louter door het tijdsverloop dat met de fiscale discussie over de stakingsvraag kan zijn gemoeid, vervolgens de deksel op de neus zou krijgen voor wat betreft de eventuele toepassing van artikel 3.64 van de Wet IB. Uiteraard moet de belastingplichtige wel degelijk (blijven) voldoen aan de voorwaarden van die regeling, maar waar het de rechtbank om gaat is dat de belastingplichtige (dus eiser in dit geval) een eerlijke kans zou moeten krijgen om dat te bewijzen en bij een geschil daarover ook een rechtsingang zou moeten hebben.
voor welk bedraghij precies een herinvesteringsvoornemen had, omdat op hem de bewijslast rust. Eiser draagt dus ook het bewijsrisico. De rechtbank wil best aannemen dat met het starten van een lunchroom meer investeringen in bedrijfsmiddelen zijn gemoeid dan de kosten die [interieurbouwer] in rekening zou brengen (zoals de aanschaf van inventaris), maar de rechtbank kan niet vaststellen of en in hoeverre daarvan sprake was. Nu er verder geen concrete bedragen zijn gesteld of gebleken, is het herinvesteringsvoornemen naar het oordeel van de rechtbank daarom alleen voor een bedrag van € 42.500 aannemelijk gemaakt.