De zaak betreft een geschil tussen [A] als verpachter en [B] c.s. als pachter over de ontbinding van een pachtovereenkomst en aanspraken op stikstofrechten.
De pachtkamer stelde vast dat de verhouding tussen partijen sinds 2016 verslechterd is. [A] had de pachtovereenkomst opgezegd wegens slecht pachterschap, belangenafweging en eigen gebruik. De rechtbank oordeelde dat de door [A] aangevoerde tekortkomingen onvoldoende ernstig waren om tot ontbinding te leiden. Betalingsachterstanden waren niet substantieel, schadeclaims onvoldoende onderbouwd en de verstoorde verhouding bood geen grond voor opzegging.
Daarnaast werd de vordering van [B] c.s. afgewezen dat zij aanspraak zou hebben op stikstofrechten verbonden aan de Nb-vergunning van [A]. De vergunning is bedrijfsgesteld en niet persoonsgebonden, en er was geen bijdrage van [B] c.s. aan het verkrijgen ervan.
De rechtbank veroordeelde [B] c.s. tot betaling van een beperkte schadevergoeding en proceskosten, en wees de overige vorderingen af.