ECLI:NL:RBNNE:2021:21

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 januari 2021
Publicatiedatum
5 januari 2021
Zaaknummer
LEE 20/3591
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet openbaarheid van bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening Wob-procedure niet-ontvankelijk wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen de weigering van de Staatssecretaris van Financiën om bepaalde documenten openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoekster stelde dat het gebruik van een navorderingstermijn van vijf jaar in plaats van drie jaar een breed maatschappelijk probleem is en dat zij inzage wil in de relevante stukken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel er een groot belang is bij een rechterlijk oordeel, dit belang niet spoedeisend is. Daarnaast is de discussie over de verplichting tot het overleggen van stukken primair aan de hoofdprocedure voorbehouden.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/3591
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], te Heerenveen, verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),
en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Kuik).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op een door verzoekster gedaan verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Bij besluit van 20 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster deels ongegrond verklaard en deels gegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt onder meer dat de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
In het verzoekschrift van 11 december 2020 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen dat verweerder de stukken overlegt waarvan verweerder in het bestreden besluit de (volledige) openbaarmaking heeft geweigerd.
3.2.
Bij brief van 14 december 2020 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht nader te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen.
3.3.
Bij brief van 17 december 2020 heeft eiseres betoogd dat de problematiek die reden was voor het indienen van het Wob-verzoek, te weten de vraag of door verweerder een navorderingstermijn van vijf jaar in plaats van drie jaar kan worden gehanteerd, een breed maatschappelijk probleem is geworden. Het hanteren van de termijn van vijf jaar leidt tot aanzienlijke navorderingsaanslagen, waarvoor geen uitstel van betaling wordt verleend, anders dan dat voor het bedrag een zekerheid wordt gesteld. Verweerder weigert inzage te verschaffen in alle stukken die relevant zijn voor de toepassing van de termijn.
3.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit het betoog van verzoekster volgt dat er (kennelijk) een groot belang is bij een rechterlijk oordeel in de Wob-procedure, maar niet dat dit belang spoedeisend is. In het kader van de Wob-procedure kan immers geen voorziening getroffen worden over de hoogte van aanslagen of tot uitstel van betaling van aanslagen.
3.5.
Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, en van 8 juni 2016, ECLI:NL:2016:1587, dat verweerder in de (fiscale) hoofdprocedures gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. In beginsel hoort de discussie of verweerder aan die verplichting voldoet, thuis in de hoofdprocedures.
3.6.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.