In deze civiele procedure vordert eiser terugbetaling van een bedrag van €30.000,- dat hij aan gedaagde heeft verstrekt, vermeerderd met een rente van 6% per maand. Gedaagde betwist dat sprake is van een lening en stelt dat het bedrag een schenking betreft. De rechtbank beoordeelt eerst het bankoverschreven bedrag van €20.000,- en acht dit bedrag als lening, mede vanwege de omschrijving op het bankafschrift en de context van hun vriendschap en gezamenlijke onderneming.
De rechtbank verwerpt het bewijs van een verklaring van een voormalige huisgenoot van eiser wegens onvoldoende onderbouwing van betrouwbaarheid. Het contante bedrag van €10.000,- wordt niet als lening bewezen omdat eiser zijn stelplicht en bewijslast niet voldoende heeft onderbouwd. De vordering tot betaling van 6% rente per maand wordt afgewezen omdat deze onredelijk hoog is en niet aannemelijk is overeengekomen.
De rechtbank kent in plaats daarvan wettelijke rente toe vanaf 5 december 2019, de datum waarop gedaagde in verzuim is geraakt na een ingebrekestelling. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €20.000,- plus wettelijke rente en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.