Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/118148 HA ZA 12-278)
2.Het geding in hoger beroep
- de appeldagvaarding van 5 november 2014 met producties (de beroepen vonnissen)
- de memorie van grieven met producties, te weten als productie 1 het procesdossier in eerste aanleg (onderdelen a. tot en met k.) en producties 2 tot en met 12;
- de memorie van antwoord met drie producties
- de akte van [appellant]
- de antwoordakte van [geïntimeerde]
3.De beoordeling
Zij was vermogend. Zij had vele (33 of daaromtrent) neven en nichten, alsmede achterneven en –nichten. Een van die neven was [neef 1] . [geïntimeerde ] is de zoon van [neef 1] en dus was [erflater] de oudtante van [geïntimeerde ] . Het hof zal [neef 1] en [geïntimeerde ] hierna kortheidshalve aanduiden als [neef 1] en [geïntimeerde ] .
In grief 1, onderdelen 3.3 en 3.5, wordt dit door [appellant] miskend. Terecht heeft de rechtbank in beginsel de bewijslast bij [appellant] gelegd. Grief 1 faalt.
De rechtbank heeft [geïntimeerde ] namelijk in dat bewijs geslaagd geacht en de vorderingen (op dit onderdeel) afgewezen. Vanzelfsprekend was er voor [geïntimeerde ] geen reden om daartegen op te komen.
- [geïntimeerde ] (voorlopig getuigenverhoor, comparitie, enquête)
- [neef 1] (enquête)
- [partner neef 1] , e.v. [neef 1] (enquête)
- [voormalig parnter achterneef 1] , voormalige partner van [geïntimeerde ] (enquête)
- [appellant] (voorlopig getuigenverhoor, comparitie,
- [bewindvoerder] , bewindvoerder (voorlopig getuigenverhoor, contra-enquête)
- [bankemployé] , bankemployé (voorlopig getuigenverhoor)
- [neef 2] (voorlopig getuigenverhoor)
- [neef 3] (voorlopig getuigenverhoor)
- [neef 4] (contra-enquête)
- [neef 5] (contra-enquête)
Daarentegen geldt voor [appellant] dat – hoezeer hij ook een formele procespartij is voor wie de beperking van art. 164 lid 2 Rv Pro. wèl geldt – zijn feitelijke eigen belang bij de uitkomst van de procedure beperkt is. De belangen van [bewindvoerder] en – in nog sterkere mate – [bankemployé] bij de uitkomst van de procedure zijn nihil. De belangen van de overige neven [geïntimeerde] zijn per saldo vrij beperkt. Zij zijn mede gerechtigd tot de te verdelen nalatenschap, maar omdat het om een groot aantal familieleden gaat is de uitkomst van de procedure voor elk van hen van vrij beperkt belang.
Kort gezegd gaat het daarbij om de volgende feiten, omstandigheden en verklaringen:
[geïntimeerde ] heeft gesuggereerd dat de kwalificatie als “lening” mogelijk berust op een automatisme, of op een eigen formulering van [appellant] , ingegeven door de omstandigheid dat in de eerdere aangifte over 1996, opgemaakt door A&A, deze – terecht – de betaling van ƒ 30.000 had gekwalificeerd als een “lening”. Nog daargelaten dat deze stelling louter op speculatie berust heeft [appellant] als getuige verklaard dat hij juist, als het om grote bedragen ging, [erflater] daar telkens specifiek naar heeft gevraagd, waarop deze antwoordde dat het leningen betrof.
Steunbewijs voor het gegeven dat het om leningen ging acht het hof voorts gelegen in de omstandigheden dat, daargelaten of en in hoeverre het in het algemeen reeds gebruikelijk zou zijn om dergelijke grote bedragen te schenken zonder enige schriftelijke vastlegging daarvan, schenkingen in dergelijke orde van grootte voor [erflater] in elk geval hoogst ongewoon waren; buiten de gestelde schenkingen aan [geïntimeerde ] komen dergelijke schenkingen niet voor. Van de door [geïntimeerde ] daarvoor gegeven motivering – zijn favorietenpositie – blijkt weinig tot niets.
Dat laatste argument gaat naar ’s hofs oordeel niet op, want evengoed zou denkbaar zijn dat – als het wèl om schenkingen zou gaan – de erflaatster, [erflater] , gemeend zou hebben dat [geïntimeerde ] al genoeg bevoordeeld was en dus geen verdere legaten meer behoefde te hebben.
Staan blijft dat [neef 4] noch [neef 5] ooit iets van een favorietenrol van [geïntimeerde ] heeft meegekregen en dat daarvoor geen andere aanwijzingen voorhanden zijn dan de verklaringen van [geïntimeerde ] en zijn ouders. Dat is niet voldoende.
In de tweede plaats zijn er voldoende aanwijzingen voorhanden dat de rol van [neef 1] in deze hele affaire vraagtekens heeft opgeworpen. In dat verband geldt het navolgende.
…
Mevrouw [erflater] is met mij naar Kroatië geweest. We hebben daar een huis gezien, dat ik wilde kopen. Ik had echter een tekort van € 45.000. Mevrouw [erflater] heeft toen aangegeven dat zij mij wel wilde helpen als dat ooit nodig zou zijn. Ik heb toen een bonnetje ingevuld van € 45.000 en ik heb dit door mevrouw [erflater] laten ondertekenen. Zij vroeg of dit voldoende was. Ik kwam nog € 10.000 tekort en ik heb toen het bedrag van € 45.000 gewijzigd in € 65.000. Maar deze bankopdracht is nooit door de bank uitgevoerd.”
[geïntimeerde ] stelt hier dat van de door [appellant] gesuggereerde tegenstrijdigheid geen sprake is. Volgens [geïntimeerde ] vulde [neef 1] in opdracht van [erflater] het bedrag in. [erflater] zelf ondertekende deze overboekingsopdracht. Op initiatief en verzoek van [erflater] wijzigde [neef 1] het bedrag op diezelfde overschrijvingskaart. Op de plaats van de cijfers werd het enigszins een knoeiboel. Daaruit bestond de onduidelijkheid van de ingevulde overschrijvingskaart. Aldus [geïntimeerde ] .
De kantonrechter acht de heer [neef 1] [= [neef 1] ; hof] op zich niet ongeschikt voor het uitoefenen van de taak van bewindvoerder. Maar er zijn andere redenen om af te zien van benoeming van de heer [neef 1] tot bewindvoerder:
- vast staat dat er vraagtekens zijn bij diverse kasopnames.
- de pogingen van de heer [neef 1] om betalingsopdrachten ten behoeve van zijn eigen persoon te doen, waarmee forse bedragen zijn gemoeid.
- het doen van schenkingen aan familieleden.
- de bedenkingen die bewindvoerder [bewindvoerder] bij de goede bedoelingen van [neef 1] heeft.
- de dubbelfunctie die [neef 1] zou krijgen (rekening en verantwoording afleggen aan 33 andere neven en nichten).
Daarmee denatureert [geïntimeerde ] naar ’s hofs oordeel de overwegingen van de kantonrechter. Diens motivering om [neef 1] niet te benoemen laat zich aldus lezen, dat [neef 1] op zichzelf mogelijk de capaciteiten bezat (zakelijk inzicht, rekenvaardigheden) om als bewindvoerder op te treden, maar dat er toch bedenkingen waren ten aanzien van zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar ook ten aanzien van zijn moraliteit.
Verderop in haar verklaring staat dat het bij [erflater] “altijd” om een schenking ging. In zijn algemeenheid zegt dit vrijwel niets. Haar verklaring dat [erflater] het woord “schenking” heeft gebruikt is niet in verband met enige concrete gebeurtenis toegelicht. Dat laatste geldt ook voor haar verklaring dat mevrouw [erflater] ( [erflater] , hof) nadat de bouw was afgerond nog wel eens terug kwam op de schenkingen. Mevrouw [erflater] ( [erflater] , hof) zou hebben gezegd dat zij blij was dat zij [geïntimeerde] kon helpen.
Later zou [erflater] ook nog over die schenkingen hebben verklaard dat zij blij was om [geïntimeerde ] met die schenkingen te hebben kunnen helpen.
heeft vervolgens de akte van verdeling overgelegd, waaruit blijkt dat:
- de woning een waarde heeft van € 650.000
- er een hypotheekschuld van € 395.000 op de woning rust;
- [geïntimeerde ] de hypotheekschuld voor zijn rekening zal nemen;
- [geïntimeerde ] aan [voormalig parnter achterneef 1] wegens overbedeling een bedrag groot € 35.000 verschuldigd zou zijn, om te zetten in een lening
- ter zake van de verdeling van de woning en hypotheekschuld partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen.