Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen
M [eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
[derde-partij], gevestigd te [plaats 1] ,
Rechtbank Noord-Nederland
Eiser, werkzaam als binnenvaartschipper op een Nederlands Rijnvaartschip, betwistte de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving over de periode mei 2016 tot augustus 2018. Verweerder had op basis van EU-verordeningen en de Rijnvarendenovereenkomst vastgesteld dat Nederland de toepasselijke wetgeving was en een A1-verklaring afgegeven.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitging van de vaartijdenboeken van het schip om het aantal uren in Nederland gewerkte tijd te bepalen. Hoewel in 2017 het percentage vaartijd in Nederland net onder de 25% lag, achtte de rechtbank dit toch substantieel vanwege bijkomende omstandigheden zoals woonplaats eiser en Nederlandse registratie van het schip.
Eiser voerde aan dat rusttijden geen werktijd zijn en dat de exploitatie van het schip niet door de eigenaar zou plaatsvinden, maar deze stellingen werden verworpen omdat eiser dit onvoldoende aannemelijk maakte. Ook andere argumenten van eiser, zoals verwijzing naar een andere zaak en beweringen over vaargebieden, konden het oordeel niet wijzigen.
De rechtbank concludeerde dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terecht op eiser van toepassing is verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op eiser.