ECLI:NL:RBNNE:2021:3039

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2021
Publicatiedatum
16 juli 2021
Zaaknummer
18/035888-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b Sr
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf en grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens ontucht met minderjarige

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met een vijftienjarig meisje, die zich in een seksadvertentie voordeed als een volwassene. Het bewezenverklaarde feit betreft het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer en het zich laten aftrekken door haar.

Verdachte, destijds 22 jaar oud, reageerde op een advertentie waarin het meisje zich aanbood voor seks tegen betaling. Hij heeft onvoldoende gedaan om zich te vergewissen van haar leeftijd en daarmee de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer geschonden. De rechtbank achtte het bewezen en strafbaar, zonder strafuitsluitingsgronden.

De rechtbank legde een taakstraf van 200 uren op en een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Deze strafmodaliteit is mede gebaseerd op jurisprudentie waarin vergelijkbare zaken werden behandeld. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur niet passend gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het lage recidivegevaar.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing van de schade en de complexiteit van de psychische problematiek die reeds voor het feit bestond. De rechtbank verwees de benadeelde partij naar de burgerlijke rechter.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 16 juli 2021.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur werkstraf en 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, wegens ontucht met een vijftienjarig meisje.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/035888-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2021.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juni 2020 te Drachten, althans (elders) in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten,
- (meermalen) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of op en neer bewogen en/of gehouden, en/of
- (meermalen) zich heeft laten aftrekken door die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2021;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 september 2020, opgenomen op pagina 433 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC20012 d.d. 23 december 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 2 juni 2020 te Drachten met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten,
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] brengen en op en neer bewegen, en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf en - gelet op het van toepassing zijn van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een dag. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar jurisprudentie, zoals hierna (deels) nader te bespreken door de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapportages van Reclassering Nederland d.d. 14 juni 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van vijftien jaar oud door seks met haar te hebben. Dit vond plaats in het kader van een seksafspraak naar aanleiding van een advertentie op de website www.speurders.nl, waarin het meisje zich voordeed als een 19-jarige en zich aanbood voor seks tegen betaling.
Verdachte, die zelf 22 jaar oud was ten tijde van het feit, heeft onvoldoende gedaan om zich te vergewissen van de leeftijd van het slachtoffer. Hij heeft haar fysieke en psychische welzijn ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften.
Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De ervaring leert dat (jeugdige) slachtoffers van zedendelicten in een later stadium psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.
Gelet op de aard en de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en gelet op de generale preventie overweegt de rechtbank dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur in beginsel passend is. De rechtbank ziet in de omstandigheden waaronder het feit is begaan en in de persoonlijke omstandigheden van verdachte echter aanleiding om hiervan af te zien. De omstandigheden die de rechtbank daarbij meeweegt zijn de volgende:
  • Verdachte was niet op zoek naar seks met een minderjarige. Hij reageerde op een seksadvertentie waarin het slachtoffer zich als een 19-jarige vrouw aanbood voor seks tegen betaling.
  • Niet is gebleken dat verdachte ervan op de hoogte was dat het slachtoffer een deel van haar verdiensten afstond.
  • Er was sprake van een eenmalig seksueel contact.
  • Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
  • Het recidiverisico wordt door de reclassering laag ingeschat.
  • Verdachte toonde zich zowel bij de politie, de reclassering als ter zitting geschokt en beschaamd ten aanzien van het feit dat achteraf gezien bleek dat hij met een minderjarige van doen had.
  • Ten onrechte is in de media het bericht verschenen dat het om verkrachting zou gaan, wat absoluut geen juridische basis heeft en verdachte nodeloos schade heeft toegebracht.
  • Met een veroordeling tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het bedrijf van verdachte - een zzp’er - vermoedelijk zwaar geschaad worden.
Vanuit het oogpunt van speciale preventie acht de rechtbank het dan ook niet nodig om verdachte te bestraffen middels een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur, zoals geëist door de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat dit een te zware straf voor verdachte zou zijn. De rechtbank zal daarom gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid een taakstraf (voor de duur van 200 uren) op te leggen gecombineerd met een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan het onvoorwaardelijk deel is beperkt tot één dag. Deze langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank met name op om de ernst van het feit uit te drukken en (gelet op het lage recidivegevaar) in mindere mate als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.
De rechtbank ziet zich in deze manier van strafoplegging bij ontucht met een minderjarige gesteund door rechtspraak van hogere instanties in vergelijkbare zaken. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar de uitspraken in de zogenoemde Valkenburgse zedenzaak en Winschoter zedenzaak. In beide zaken was eveneens sprake van een seksafspraak gemaakt met het slachtoffer die zich als meerderjarige aanbood en waarbij achteraf pas aan de verdachten bleek dat het ging om een minderjarige. In de Valkenburgse zedenzaak heeft de Hoge Raad [1] bepaald dat artikel 22b Sr niet in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf in combinatie met een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf (zoals opgelegd door het Gerechtshof ’s Hertogenbosch), waarbij het onvoorwaardelijke deel slechts een dag bedroeg.
In de Winschoter zedenzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [2] onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad voor deze strafmodaliteit gekozen, nadat de rechtbank onvoorwaardelijke gevangenisstraffen vanaf zes maanden had opgelegd.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag € 800,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de toewijzing van deze vordering bepleit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld welke schade precies door verdachte is veroorzaakt.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen.
Het staat voor de rechtbank buiten kijf dat [slachtoffer] psychische problemen heeft en dat deze er door de seksafspraken die zij had, waaronder een met verdachte, niet beter op zijn geworden. Uit de ter onderbouwing toegevoegde behandelovereenkomst komt echter een gecompliceerd beeld met betrekking tot het ontstaan van die psychische problemen naar voren. De rechtbank wijst erop dat in de behandelovereenkomst wordt gesproken over een posttraumatsche stressstoornis (PTSS), inclusief PTSS bij kinderen van 6 jaar en jonger en over mogelijk seksueel misbruik en vertrouwenskwesties in de gezinssfeer. Deze omstandigheden speelden reeds voordat verdachte [slachtoffer] leerde kennen.
De rechtbank constateert voorts dat in de behandelovereenkomst wordt gesproken over gedwongen prostitutie en het moeten hebben van seks met mannen, hetgeen niet volledig aansluit bij het door de rechtbank vastgestelde feitencomplex en het voorliggende procesdossier.
Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank de hoogte van de door verdachte veroorzaakte schade niet eenvoudig vaststellen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 245 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 179 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]niet ontvankelijk. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. A.H.M. Dölle en, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2021.
Mrs. Kooistra en Van der Woude zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 februari 2018,ECLI:NL:HR:2018:202.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9322.