Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel
3.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte is veroordeeld voor ontucht met een minderjarige prostituee (art. 248b Sr). Het hof legde een taakstraf van 210 uren op gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag.
Het centrale geschilpunt betrof de uitleg van art. 22b Sr, dat in eerste en tweede lid het opleggen van een taakstraf bij ernstige zedenmisdrijven zoals art. 248b Sr beperkt, maar in het derde lid een uitzondering maakt voor combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het Openbaar Ministerie stelde dat de gevangenisstraf substantieel moest zijn, terwijl het hof oordeelde dat een gevangenisstraf van één dag toereikend is.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en benadrukt dat de wetsgeschiedenis en de tekst van art. 22b Sr ruimte bieden voor een taakstraf gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal één dag en maximaal zes maanden. De motivering van het hof is voldoende en de strafoplegging niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen.
De uitspraak bevat tevens een uitgebreide analyse van de parlementaire geschiedenis, de strafdoelen en de strafbepalende omstandigheden bij zedenzaken met minderjarige prostituees. Het hof legt daarbij de nadruk op de combinatie van strafdoelen, waaronder vergelding, speciale en generale preventie, en resocialisatie.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechterlijke straftoemetingsvrijheid binnen de wettelijke kaders en onderstreept dat de combinatie van taakstraf en korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf kan zijn in ernstige zedenzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een taakstraf gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal één dag is toegestaan bij overtreding van art. 248b Sr en verwerpt het cassatieberoep.