ECLI:NL:RBNNE:2021:3210
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsvermoeden en oorzaken mijnbouwschade aan gebouwen
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor schadevergoeding wegens vermeende mijnbouwschade aan gebouwen op zijn perceel. Verweerder kende een bedrag toe, maar verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en bracht een eigen deskundige mee.
De rechtbank hanteerde het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW, waarbij schade aan gebouwen vermoed wordt veroorzaakt door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, tenzij anders bewezen. Verweerder stelde dat dit vermoeden is weerlegd met voldoende zekerheid door deskundigenrapporten die andere oorzaken aanwijzen.
De rechtbank beoordeelde drie specifieke schades: scheurvorming in de wand van de melkput, scheurvorming in de vloer en scheuren in de wand van de sleufsilo. De deskundigen concludeerden dat de schades veroorzaakt zijn door krimp, onvoldoende wapening, dynamische belastingen en chemische aantasting, en niet door mijnbouwactiviteiten.
Eiser voerde aan dat de deskundigen onvoldoende onderzoek hadden verricht en dat de schade wel degelijk verband hield met mijnbouw. De rechtbank vond echter dat de deskundigen op objectieve en inzichtelijke wijze hun conclusies hadden onderbouwd en dat er geen concrete aanknopingspunten waren voor twijfel.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het bewijsvermoeden is weerlegd en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bewijsvermoeden is weerlegd en andere oorzaken van de schade met voldoende zekerheid zijn vastgesteld.