Windpark Oostermoer Exploitatie b.v. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin een tegemoetkoming in planschade van €14.600,- aan een derde belanghebbende werd toegekend. De kern van het geschil betrof de hoogte van het normaal maatschappelijk risico dat door het bestuursorgaan was vastgesteld op 2%, terwijl eiseres een hoger percentage van 4% bepleitte.
De rechtbank heeft uitgebreid de planologische situatie, beleidskaders en de advisering door Thorbecke B.V. onderzocht. De rechtbank concludeerde dat de ontwikkeling van het windpark niet als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, mede vanwege het ontbreken van bestaande windturbines in de omgeving en het feit dat het planologisch regime van het agrarische gebied geen hoogbouw toestond. Ook lag de ontwikkeling niet in de lijn der verwachtingen, aangezien het plan pas in 2014 concreet werd opgenomen in de Structuurvisie Wind op Land.
Verder oordeelde de rechtbank dat de advisering over de zichtbaarheid, geluidshinder en de invloed van de lijnopstellingen op de waarde van het perceel adequaat was. De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres over onjuistheden in de advisering en concludeerde dat het bestuursorgaan het normaal maatschappelijk risico niet onjuist had vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.