Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.A,
1.B,
1.De verdere procedure
- het tussenvonnis van 1 juli 2020 in zaak-/rolnummer C/19/130829/HA ZA 20-62;
- het tussenvonnis van 30 september 2020 in zaak-/rolnummer C/19/131706/HA ZA 20-120;
- de akte overlegging producties 35, 36, 37 en 38 van de zijde van A en B in beide zaken;
- de akte overlegging productie 10 van de zijde van C en de Beheer B.V. in beide zaken;
- de mondelinge behandeling van 8 december 2020 in beide procedures waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden;
- de akte overlegging producties 39, 40 en 41 van de zijde van A en B in beide zaken;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2021 in beide zaken;
- het verzoek d.d. 23 februari 2021 van alle partijen om vonnis te wijzen in beide zaken.
2.De feiten in beide zaken
3.De vordering
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/19/130829 / HA ZA 20-62
4.De beoordeling
in beide zaken
De legitieme porties van A en B zijn vorderingen op de nalatenschap die worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden (artikelen 4:65 en 4:6 BW).
;
5.De beslissing
van 20 oktober 2021voor akte aan de zijde van alle partijen als bedoeld in 4.44 en 4.45,