Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Beslissing
- vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1878 (2010) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 72.243;
- vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1879 (2011) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 67.432;
- vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1880 (2012) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 64.502;
- vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1881 (2013) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 66.285;
- vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1883 (2015) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 66.626;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
Gronden
2016, omdat eiser een te hoog bedrag aan inkomsten van de SVB heeft aangegeven. Ook hier ging het om de dubbel aangegeven AOW-uitkering (van eiser zelf en van zijn echtgenote). Met dagtekening 12 maart 2021 heeft verweerder een verminderingsbeschikking IB/PVV 2016 verstuurd.
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift is artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.”
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
redelijkerwijsniet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest door pas op 17 maart 2021 een verzoek in te dienen over de jaren 2010 tot en met 2015? Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende omstandigheden van belang.
Deze definitieve aanslag is vastgesteld overeenkomstig uw aangifte over 2014”. De rechtbank constateert dat die bewering niet klopt, nu er juist is afgeweken van de aangifte. Verder constateert de rechtbank dat eiser nimmer op de hoogte is gesteld van de afwijking, laat staan van de redenen van de afwijking.