ECLI:NL:HR:2010:BM7705
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op proceskostenvergoeding bij onrechtmatige belastingaanslag
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Zijn verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase werd door de inspecteur afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraak en kende de vergoeding toe. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest.
De Hoge Raad overwoog dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag met normale zorgvuldigheid kennis moet nemen van de aangifte en beschikbare gegevens, zoals die van de Sociale Verzekeringsbank. Het hof had geoordeeld dat de inspecteur deze zorgvuldigheid niet in acht had genomen, waardoor een te hoge aanslag werd opgelegd. Dit leidde tot een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, lid 2, Awb.
De Hoge Raad verwierp het middel dat het hof een verkeerde rechtsregel had toegepast omtrent vergoeding van kosten in de bezwaarfase, omdat die regel alleen geldt voor procedures bij de belastingrechter. De Hoge Raad bevestigde dat ook bij onjuiste aangifte de inspecteur een onderzoeksplicht heeft en dat nalatigheid daartoe leidt tot onrechtmatigheid en recht op vergoeding.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Minister van Financiën tot betaling van de kosten van het cassatiegeding aan belanghebbende. Hiermee is het recht op vergoeding van kosten in de bezwaarfase bij onrechtmatige aanslag bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend.