ECLI:NL:RBNNE:2021:4569

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
18/920064-18 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

De officier van justitie vorderde dat de rechtbank een bedrag van €945,59 zou vaststellen als wederrechtelijk verkregen voordeel en veroordeelde zou verplichten dit bedrag aan de staat te betalen. De behandeling vond plaats op 16 september en 14 oktober 2021.

Veroordeelde was reeds veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwassen. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk het voordeel heeft verkregen. Het bedrag was overgeboekt terwijl veroordeelde in detentie verbleef en nadat de bankpas was aangetroffen bij een derde.

Daarom staat niet vast dat veroordeelde het voordeel heeft genoten. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming af en spreekt dit uit in een openbare terechtzitting op 28 oktober 2021.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs dat veroordeelde het voordeel heeft genoten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/920064-18
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
wonende [straatnaam] te [woonplaats],
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 28 juli 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 945,59 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/920064-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 16 september 2021 en 14 oktober 2021.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 28 oktober 2021 in de zaak met parketnummer 18/920064-18 veroordeeld ter zake medeplichtigheid aan witwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het bewezenverklaarde of uit de baten van het bewezenverklaarde.
Het bedrag van € 945,59 waarop de vordering ziet is overgeboekt op 12 januari 2018, te weten op een moment dat veroordeelde zich in detentie bevond en ook nadat de bankpas van de rekening op 8 januari 2018 bij B.H. Grave is aangetroffen. Het is daardoor onduidelijk of veroordeelde daadwerkelijk zelf de beschikking heeft gekregen over dit geld, zodat niet vast staat dat hij voordeel heeft genoten.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2021.
Mr. W.S. Sikkema en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.