Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[C],
[D],
[C],
[D],
1.Procesverloop
in de hoofdzaak in conventie en in voorwaardelijke reconventieblijkt uit:
in de vrijwaringszaakblijkt uit:
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een vordering van [A] tegen [B] c.s. en De Goudse Schadeverzekeringen N.V. naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij [A] ernstig gewond raakte tijdens het bezorgen van pizza's. [A] stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst met [B] c.s., waardoor zij als werkgever aansprakelijk zouden zijn op grond van artikel 7:658 BW Pro en 7:611 BW. Tevens vorderde hij schadevergoeding van De Goudse als verzekeraar.
De rechtbank onderzocht de kernvraag of er een arbeidsovereenkomst bestond. Uit de WhatsApp-correspondentie en verklaringen bleek dat [A] incidenteel werkzaamheden verrichtte, betaald werd met contant geld zonder loonstroken, en dat er geen gezagsverhouding was. De relatie tussen partijen werd gekenmerkt als vriendschappelijk en niet als werkgever-werknemer.
De kantonrechter concludeerde dat niet voldaan was aan de vier vereisten van artikel 7:610 BW Pro, met name ontbrak het gezagscriterium en vaste werktijden. De vorderingen van [A] werden daarom afgewezen. Ook de conservatoire beslagen werden opgeheven en de vrijwaringsvordering van [B] c.s. tegen De Goudse werd afgewezen. [A] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat geen arbeidsovereenkomst bestond en wijst de vorderingen van [A] af.