Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
11 april 2014.
6 maanden.
32 uurper week.
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden verrichtte op een participatieplaats bij de gemeente Amsterdam met behoud van haar IOAW-uitkering. Zij vorderde een verklaring voor recht dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was geweest en dat zij recht had op loonbetaling.
De kantonrechter en het hof wezen deze vorderingen af. Het hof overwoog dat de participatieplaats een voorziening is binnen de Participatiewet en dat het niet de bedoeling van partijen was een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De premies toegekend aan de eiseres werden niet als loon aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof, maar nuanceerde dat de bedoeling van partijen niet doorslaggevend is voor de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst. De rechter moet eerst de rechten en verplichtingen vaststellen (uitleg) en daarna kwalificeren. De premies zijn stimuleringspremies en geen loon. De vordering tot loonbetaling wordt afgewezen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat werkzaamheden op een participatieplaats met behoud van uitkering geen arbeidsovereenkomst vormen en wijst de loonvordering af.