ECLI:NL:RBNNE:2021:671
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ontoereikende procesvaardigheid verdachte na CVA
De rechtbank Noord-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die wordt verdacht van medeplegen van gijzeling, mishandeling, seksueel misbruik en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte lijdt sinds 2016 aan de gevolgen van een ernstig CVA, met onder meer globale afasie en halfzijdige verlamming, waardoor zijn taalbegrip en communicatieve vaardigheden ernstig zijn aangetast.
Na uitgebreid neurologisch en neuropsychologisch onderzoek, uitgevoerd in het kader van een Pro Justitia rapportage, concludeerden deskundigen dat verdachte niet in staat is de complexiteit van de strafprocedure te begrijpen of effectief deel te nemen aan zijn verdediging. Verdachte kan niet communiceren, processtukken niet begrijpen en is niet in staat zijn raadsman te instrueren.
De verdediging stelde op basis hiervan dat de vervolging geschorst moet worden en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Het openbaar ministerie erkende dat verdachte het proces inhoudelijk niet kan volgen en dat voortzetting een schending van het recht op een eerlijk proces zou betekenen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte “unfit to stand trial” is en dat voortzetting van de vervolging het recht op een eerlijk proces schendt. Daarom verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, waardoor de inhoudelijke behandeling van de tenlasteleggingen achterwege blijft.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens ontoereikende procesvaardigheid van verdachte na een CVA.