Eiseres diende een aanvraag in op grond van de Tijdelijke wet Groningen voor schadevergoeding van mijnbouwschade aan haar woning uit 1973. Na een primair besluit en bezwaar werd een gedeeltelijke toekenning van schadevergoeding vastgesteld, waartegen eiseres beroep instelde. De kern van het geschil betrof de hoogte van de vergoeding voor herstel van scheurvorming in binnenmuren (schade 3 en 8) en de vraag of ook het sauzen van plafonds vergoed moest worden.
De rechtbank oordeelde dat partijen het eens waren over een aanvullende vergoeding van € 3.734,87 voor wandafwerking en een verhoging van de overlastvergoeding naar € 500,-. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover de schadevergoeding lager was vastgesteld en besloot zelf in de zaak te voorzien. De deskundigenrapporten gaven aan dat het sauzen van plafonds niet noodzakelijk is voor herstel, wat de rechtbank onderschreef.
Verder werd het beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur afgewezen, aangezien de rechtbank voorzag in een adequate schadevergoeding. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten voor reis- en verletkosten van eiseres. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.